Coleophora coracipennella (Hübner, 1796)

donkergrijze kokermot

Coleophora coracipennella case

uit Toll (1962a)

zak

De zak van de volgroeide larve is een buisvormig bladzak, 6-7 mm lang, aanvankelijk licht-, later donkerbruin, driekleppig, heeft een mondhoek van 45°, en bevindt zich aan de bladonderzijde, waar flinke vlekmijnen worden gemaakt.

waardplanten

Rosaceae, oligofaag

Cotoneaster; Crataegus; Malus sylvestris; Prunus avium, cerasus, domestica, fruticosa, padus, spinosa; Sorbus aucuparia.

Voor vermelding van tal van andere waardplanten, ook buiten de Rosaceae, zie de opmerking hieronder.

fenologie

De larven zijn eind mei volgroeid (Emmet ea, 1996a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Duitsland tot Sicilië, en van Engeland tot Roemenië; ook in Estland en Zuid-Rusland (Fauna Europaea, 2010).

larve

Zie Emmet ea (1996a).

synoniemen

Coleophora serratella: Toll (1952a, 1962a), Hering (1957a), Huber (1969a) ea; Coleophora varii Patzak, 1969.

opmerkingen

Het is niet mogelijk de larven of zakken van C. coracipennella, prunifoliae, serratella en spinella van elkaar te onderscheiden; alleen uitkweken, en in beperkte mate de waardplant, kan een determinatie opleveren. Coleophora nigricella (Stephens, 1834) is formeel een synoniem van C. coracipennella, maar de naam is meestal, onbedoeld, een verzamelterm voor deze vier soorten geweest.

Whitebread (1975a) meende een verschil te zien tussen coracipennella enerzijds, en serratella en spinella anderzijds: wanneer de zak van achteren wordt bezien vormen de drie kleppen bij de eerste een rechtop staande Y, bij de andere twee een omgekeerde. Voor zover ik weet is die suggestie niet opgepakt.

Coleophoriden-larven zijn actieve dieren, en op zoek naar een plek om te verpoppen kunnen ze gemakkelijk op een plant terechtkomen die niet tot hun waardplanten behoort. Dergelijke zwervers geven gemakkelijk aanleiding tot onjuiste waardplant-associaties. Omdat de vier “nigricella‘s” tezamen heel talrijk zijn, is het aantal incidentele, foutieve, vermeldingen van waardplanten in deze groep aanzienlijk.

literatuur

Aguiar & Karsholt (2006a), Baldizzone (1984a, 2004a), Baldizzone & Nel (1992a), Baldizzone, van der Wolf & Landry (2006a), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Emmet, Langmaid, Bland ao (1996a), Heckford (1986a), Hering (1957a), Huber (1969a), Huemer (1988a), Kasy (1983a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Nel (1992c), Nowakowski (1954a), Patzak (1969a, 1974a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Sefrová (2005a), Stolnicu (2008a), Suire (1961a), Whitebread (1975a, 1977a).

mod 8.xii.2018