Coleophora deauratella Lienig & Zeller, 1846

grijze metaalkokermot

op Trifolium

parasiet

De larve boort zich door de bloemen van een hoofdje en vreet de nog groene zaden uit de jonge peulen. Pas in het vierde stadium spint de larve met zijde een zak; dat gebeurt binnenin een bloem. De voltooide zak is donker roodbruin (behalve het witte driekleppige achterdeel), ± 6 mm lang, vrij buikig cylindrisch, driekleppig; de voorste helft van de zak steekt in een verdroogd bloempje. Wanneer de larve vreet steekt het witte punt van de zak buiten het hoofdje, en valt daardoor op.

waardplanten

Fabaceae, monofaag

Trifolium medium, ochroleucon, pratense.

Vaak, maar ten onrechte, vermeld van Centaurea en andere Asteraceae.

fenologie

Zakken vanaf midden augustus; de larven zijn in september volgroeid; verpopping in het volgend voorjaar, in de zak.

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa (PESI, 2018).

larve

Coleophora larvae

Vergelijking van de dorsale sclerieten van drie soorten met een gelijksoortige levenswijze: C. deauratella (a), C. paramayrella (b) en C. mayrella (c) (uit Nel, 1993b).

literatuur

Baldizzone (1979a, 1990b, 2004a), Baldizzone & Hartig (1978a), Baldizzone, Tokár & Kovács (2004a), Baldizzone & van der Wolf (2000a), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Corley, Maravalhas & Passos de Carvalho (2006a), Emmet, Langmaid & Bland ao (1996a), Huemer (2012a), Huemer & Wiesner (1997a), Kaltenbach & Roesler (1985a), Michaelis (1983a), Nel (1992b, 1993b), Patzak (1974a,b), Pinzari, Pinzari & Zilli (2013a) , De Prins & Steeman (2011a), Robbins (1991a), Stübner (2007a).

mod 18.ii.2018