Coleophora ibipennella Zeller, 1849

geelsnuiteikenkokermot

Coleophora ibipennella case

Quercus robur, Overveen

zak

De volgroeide larve in een 7 mm lange zwarte pistoolvormige zak. De mondhoek is ongeveer 80°. Van het achtereind hangt over de zak een grijze zijden mantel, die tot bijna halverwege de mond reikt.

waardplanten

Fagaceae, monofaag (?)

Quercus pubescens, robur.

Volgens onder meer Hering (1957a) komt de soort, zij het zelden, ook voor op Betula; Emmet ea (1996a) betwijfelen dit. Zoerner (1971a) vond zakken op kiemplanten van Fagus sylvatica; Drăghia (1972a) vermeldt Pyrus als waardplant. Waarschijnlijk betreft het verdwaalde exemplaren op zoek naar een plek om te overwinteren.

fenologie

Larven zijn volgroeid in begin juni (Emmet ea, 1996a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Middellandse Zee, en van Engeland tot Zuid-Rusland

synoniemen

Coleophora nemorum Heinemann, 1954; C. ardeaepennella Scott, 1861; “ardeipennella” (misspelling); C. quercivorella Capuse, 1971.

opmerkingen

Toll (1952a, 1962a) laat een mondhoek zien van 45°. Geografische variatie?

literatuur

Baldizzone (1979a, 1987b, 1990b), Baldizzone, van der Wolf & Landry (2006a), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Buhr (1936a, 1964a), Drăghia (1972a), Emmet ao (1996a), Hering (1934a, 1957a), Huemer (2012a), Huemer & Erlebach (2003a), Klimesch (1942a, 1950c), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Leutsch (2011a), Nel (1992b), Patzak (1974a), De Prins (2010a), De Prins & Steeman (2011a), Razowski (1990a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Suire (1961a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Szőcs (1977a, 1988a), Toll (1952a, 1962a), Zoerner (1971a).

mod 3.ix.2018