Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Coleophora serratella

Coleophora serratella (Linnaeus, 1761)

bruingrijze kokermot

Coleophora serratella mine

Betula pubescens, België, prov. Luxemburg, Bovigny, Chifontaine: mijn © Jean-Yves Baugnée

Coleophora serratella juvenile case

zeer jonge jeugdzak

Coleophora serratella youth case

Crataegus, Ankeveen: oude jeugdzak, na de overwintering

Coleophora serratella case

Ulmus minor, Duin- en Kruidberg: zak van volgroeide larve

Coleophora serratella case

Betula pubescens, België, prov. Luxemburg, Bovigny, Chifontaine: zak van volgroeide larve; © Jean-Yves Baugnée

Coleophora serratella: larval case on Betula pubescens

Betula pubescens, Heerde, lg de Dellen © Hans Jonkman. De zak is zo jong dat de tanden, oorspronkelijk van de bladrand, nog groen zijn.

Coleophora serratella: larval case on Betula pubescens

zelfde zak, dorsaal

zak

Het ei wordt afgezet aan de bladonderzijde, meestal in een nerfoksel in het basale deel van het blad. De larve verlaat het ei via de micropyle (op de top), en kruipt eerst een stukje over het blad alvorens zich in te boren. De sterk gekromde jeugdzak is een “samengestelde bladzak”, de tweede zak is een “buisvormige bladzak”. De tweede zak is driekleppig, ca. 7 mm lang; de mondhoek is ongeveer 30°. Deze laatste is strokleurig en heeft bijna altijd een dorsale kiel met tanden (de resten van de tanden op de bladrand waarvan de zak is gemaakt).

waardplanten

Tamelijk polyfaag op houtige gewassen

Alnus glutinosa, incana, viridis; Amelanchier ovalis; Betula nana, pendula, pubescens; Carpinus betulus; Chaenomeles; Corylus avellana; Cotoneaster; Crataegus monogyna; Cydonia; Eriobotrya japonica; Forsythia; Hippophae; Malus domestica, sylvestris; Mespilus germanica Myrica gale; Ostrya; Populus; Prunus Ribes; Salix caprea; Sorbus aucuparia; Spiraea bumalda, x vanhouttei; Ulmus glabra, minor.

Bij alle polyfagie is , althans in Nederland, de soort verreweg het meest te vinden op els en berk. Vermeldingen van Rosaceae hebben vaak betrekking op C. coracipennella (zie hieronder).

De larven verdwalen vrij vaak naar andere planten; door Buhr (1936a) onder meer vermeld als incidentele mineerder op Ribes; ook de vermelding door Szőcs (1977a) van Geranium betreft zeker zo’n geval.

fenologie

Larven beginnen in september, en vreten tot eind october, overwinteren, en herbeginnen in april. Na enkele weken verwisselen ze hun jeugdzak voor hun definitieve, waarin ze tot begin juni doorgaan (Emmet ea, 1996a).

Op dit tijdschema bestaan echter uitzonderingen: de foto hierboven van de jonge jeugdzak door Jean-Yves Baugnée werd door hem gemaakt op 24 april 2011.

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009); zeer gewoon.

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Europa, uitgezonderd het Balkan-schiereiland (Fauna Europaea, 2009).

larve

synoniemen

Coleophora fuscedinella Zeller, 1849.

Waar in oudere publicaties de namen fuscedinella en serratella naast elkaar gebruikt worden moet “serratella” wel geïnterpreteerd worden als coracipennella.

parasitoïden, predatoren

Necremnus metalarus; ? Pnigalio longulus.

opmerkingen

Het is niet mogelijk de larven of zakken van C. coracipennella, prunifoliae, serratella en spinella van elkaar te onderscheiden; alleen uitkweken, en in beperkte mate de waardplant, kan een determinatie opleveren. Coleophora nigricella (Stephens, 1834) is formeel een synoniem van C. coracipennella, maar de naam is meestal, onbedoeld, een verzamelterm voor deze vier soorten geweest.

Coleophoriden-larven zijn actieve dieren, en op zoek naar een plek om te verpoppen kunnen ze gemakkelijk op een plant terechtkomen die niet tot hun waardplanten behoort. Dergelijke zwervers geven gemakkelijk aanleiding tot onjuiste waardplant-associaties. Omdat de vier “nigricella‘s” tezamen heel talrijk zijn, is het aantal incidentele, foutieve, vermeldingen van waardplanten in deze groep aanzienlijk.

Kemner (1917a) beschrijft een massa-optreden in Zweden, dat gedurende enkele jaren aanhield, en waarbij plaatselijk 50-90% kaalvraat van de berken plaatsvond.

Sich (1904a) en Coshan (1974a) geven prachtige beschrijvingen van de biologie en morfologie van de larve.

literatuur

Ahr (1966a), Bachmaier (1965a), Baldizzone (1979a, 1984a, 1990b, 2004a), Beiger (1979a), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Buhr (1935a,b, 1936a, 1937a, 1964a), Corley, Rosete, Romão ao (2015a), Coshan (1974a), Drăghia (1968b), Emmet, Langmaid, Bland ao (1996a), Gebiola, Bernardo, Ribes & Gibson (2015a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1921a, 1923a, 1924b, 1927b, 1930e, 1932b, 1957a), Huber (1969a), Huemer (1988a, 2012a), Huemer & Erlebach (2003a), Ivinskis & Savenkov (1991a), Kenmer (1917a), Klimesch (1950c), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a, Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Leutsch (2011a), Maček (1999a), Marek & Krampl (1990a), Michaelis (1983a), Michalska (1976a), Nel (1992b,c), Nowakowski (1954a), Patzak (1974a), Razowski (1990a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Sich (1904a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Sterling (1984a), Stolnicu (2007a), Suire (1961a), Szőcs (1977a, 11981a), Toll (1952am 1962a), Viramo (1962a), Zoerner (1969a, 1970a).

Laatste bewerking 15.vi.2022