Elachista biatomella (Stainton, 1848)

duinzeggemineermot

mijn

Het ei wordt afgezet in een bladoksel. Van daar uit begint een smalle, naar boven lopende gang met een dunne frasslijn. Als de mijn 2-3 cm lang is keert de richting om en ontstaat een langgerekte, wittige en licht opgeblazen blaasmijn waarin de frass verstrooid ligt. Verpopping extern.

waardplanten

Cyperaceae, nauw monofaag

Carex acuta subsp. prolixa, flacca.

fenologie

Larven in juni-juli en, overwinterend in de mijn, september-april (Bland, 1996a; Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden tot het Iberisch schiereiland, Sardinië en Italië, en van Engeland tot de Ukraïne (Fauna Europaea, 2010).

larve

Beschreven door Steuer (1980a). De larve is gelig met een donkerbruine kop en een lichtbruine prothoracale plaat.

literatuur

Barton (2015a), Bland (1996a), Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a) Ukraine, Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2001a), Klimesch (1942a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Z Laštůvka, A Laštůvka, Liška, Marek, Skyva & Vávra (1992a), Parenti & Varalda (1994a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sønderup (1949a), Steuer (1980a), Szőcs (1977a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a), Wegner (2010a), Wörz (1957a).

mod 12.ii.2018