Elachista argentella (Clerk, 1759)

witte grasmineermot

mijn

De larve maakt in het najaar een smal gangetje van enkele cm lang. Hij overwintert in deze mijn, verhuist in maart naar een nieuw blad. Hier wordt een doorzichtige voldiepe mijn gemaakt die zich vanaf de bladtop naar beneden uitbreidt, en die de hele breedte van het blad inneemt. De frass bevindt zich hoofdzakelijk in het bovenste, oudste, deel van de mijn. De larve kan de mijn verlaten en in een nieuw blad herbeginnen. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Poaceae, breed oligoaag

Agrostis; Anisantha sterilis; Avenula pubescens; Brachypodium pinnatum, sylvaticum; Bromopsia erecta, pannonica; Calamagrostis epigeios; Dactylis glomerata; Deschampsia cespitosa; Elytrigia intermedia, repens; Festuca ovina, rubra, stricta subsp. trachyphylla, valesiaca; Helictochloa pratensis; Holcus lanatus, mollis; Koeleria glauca, grandis, macrantha; Leymus arenarius; Phalaroides arundinacea; Phleum; Poa pratensis; Rostraria cristata.

fenologie

Larven zijn te vinden van nazomer tot begin mei (Bland, 1996a; Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Heel Europa, zonder het Balkan-schiereiland (Fauna Europaea, 2009).

larve

Grijsgroen met een vage witte rugstreep; kop lichtbruin; prothoracale plaat bruin, bestaande uit 4+4 kleine plaatjes (Bland, 1996a).

pop

Beschreven door Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a); afb. in Parenti & Pizzolato (2015b).

synoniemen

Elachista cygnipennella (Hübner, 1796).

literatuur

Baldizzone (2004a), Baran, Mazurkiewicz & Pałka (2007a), Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a), Bland (1988a), Buhr (1935b), Diškus & Stonis (2012a), Hering (1957a), Huber (1969a), Kuchlein &anp; de Vos (1999a), Leutsch (2011a), Parenti & Pizzolato (2015b), Parenti & Varalda (1994a), Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sønderup (1949a), Sruoga & Ivinskis (2005a, 2011a), Sruoga, Stunþënav & Paulavièiûte (2009a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a), Wörz (1957a).

mod 12.ii.2018