Elachista atricomella Stainton, 1849

grote grasmineermot

mijn

De larve begint in het najaar aan een lange smalle gangmijn met een fijne centrale lijn van grijze frass. De gang is recht of zwak bochtig, en daalt af tot in de bladschede of zelfs stengel en wortelstok. De larve verlaat regelmatig een mijn, op op een ander blad opnieuw te beginnen. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Cyperaceae, Poacea; nauw oligofaag

Bromus; Carex hostiana; Dactylis glomerata; Melica nutans; Milium effusum.

Dactylis lijkt de belangrijkste waardplant.

fenologie

Larven van het late najaar tot in mei (Bland, 1996a; Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Vrijwel heel Europa, met uitzondering vsn het Iberisch Scheireiland, het Balkan-schiereiland en de Middellandse Zee-eilanden (Fauna Europaea, 2009).

larve

Bleek groenig geel; kop en prothoracale plaat lichtbruin; prothoracale plaat opgedeeld zijn in twee langgerekte stukjes.

synoniemen

Elachista holdenella Stainton, 1854.

literatuur

Baldizzone (2004a), Baran (2005a), Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a), Bland (1996a), Buhr (1935b), Buszko (1990a), Corley, Marabuto & Pires (2007a), Hering (1957a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Liška ao (2000a), Parenti & Varalda (1994a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sønderup (1949a), Sruoga & Ivinskis (2005a), Šulcs (1996a), Szőcs (1977a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a), Wörz (1957a).

mod 12.ii.2018