Elachista freyerella (Hübner, 1825)

kleine grasmineermot

mijn

Lange, vlakke, wittige, relatief brede mijn die afdaalt vanaf de bladspits. Frass onregelmatig verspreid. De larve kan tijdens zijn leven verscheidene mijnen maken. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Poaceae, breed oligofaag

Agrostis; Bromus; Dactylis; Festuca glauca, rubra; Holcus; Ochlopoa annua; Poa badensis, compressa, nemoralis, pratensis, trivialis; Rostraria cristata; Schedonorus arundinaceus; Trisetum fuscum; Triticum.

Voorkeur voor Poa-soorten (Hering, 1957a; Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a). Eenmaal gekweekt uit een ongedetermineerde Carex (Robbins, 1991a).

fenologie

Larven van maart tot mei, juni (Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa, uitgezonderd het Balkan-schiereiland (Fauna Europaea, 2009).

larve

Geelgrijs, kop en prothorale plaat zwart; prothoracale plaat gedeeld.

pop

Beschreven door Patočka (1997a), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Cosmiotes freyerella; Elachista nigrella (Hübner, 1805); Cosmiotes aridella Heinemann, 1854, Elachista nigrella aridella.

literatuur

Baran, Mazurkiewicz & Pałka (2007a), Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a), Biesenbaum (2010b), Bland (1996a), Buszko & Baraniak (1989b), Corley, Maravalhas & Passos de Carvalho (2006a), Hering (1957a), Kozlov & Kullberg (2006a), Leutsch (2011a), Parenti & Varalda (1994a), Patočka (1997a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sønderup (1949a), Sruoga & Ivinskis (2005a, 2011a), Szőcs (1977a, 1981a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a).

16/01/2017

mod 13.ii.2018