Elachista gangabella Zeller, 1850

boskortsteelmineermot

mijn

Mijn doorzichtig (daardoor opvallend), meestal vanuit de bladtop afdalend. Over de lengte van de mijn in de middenlijn een buis van spinsel, waarin de larve zich kan terugtrekken en zich snel naar boven en beneden kan verplaatsen; hier bevindt zich ook de frass. Vanuit deze buis vreet de larve naar opzij, met gevolg dat de zijwanden van de mijn zeer onregelmatig zijn.

waardplanten

Poaceae, oligofaag

Brachypodium pinnatum, sylvaticum; Dactylis glomerata; Melica nutans.

Brachypodium sylvaticum is veruit de belangrijkste waardplant (Steuer, 1973a).

fenologie

Larven van september tot november; ze overwinteren in de mijn, verlaten de mijn in het voorjaar om zich te verpoppen (Traugott-Olsen & Schmidt-Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE waargenomen (De Prins, 1998a).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2008).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa (Corley ea, 2006a; Fauna Europaea, 2008).

larve

synoniemen

Elachista taeniatella Stainton, 1857.

E. gangabella en unifasciella zijn in de literatuur lange tijd met elkaar verward (Steuer, 1973a). De vermelding van Holcus als waardplant van gangabella door Hering (1957a) gaat vermoedelijk op deze verwarring terug.

literatuur

Baldizzone (2004a), Baran, Mazurkiewicz & Pałka (2007a), Beiger (1979a), Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a), Buhr (1935a), Buszko (1990a), Corley, Marabuto, Maravalhas, Pires & Cardoso (2008a), Corley, Maravalhas & Passos de Carvalho (2006a), Ford (1943a), Hering (1957a), Kaila, Nupponen, Junnilainen, Nupponen, Kaitila & Olschwang (2003a), Kuchlein & de Vos (1999a), Parenti & Varalda (1994a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Roweck & Savenkov (2007a), Schütze (1931a), Sruoga & Ivinskis (2005a), Steurer (1973a), Szőcs (1977a), Traugott-Olsen & Schmidt-Nielsen (1977a), Walczak (2011a).

mod 24.vii.2019