Elachista poae Stainton, 1855

liesgrasmineermot

Elachista poae mine

Glyceria maxima, Nieuwendam; onderste deel van de mijn (zat binnen een bladschede, die verwijderd is)

doorzicht van de gang, hoger in de mijn

mijn

Enige decimeters lange smalle, wittige, vaak uiteindelijk roodbruin verkleurde gangmijn die afdaalt vanuit de bladtop tot in een bladschede. Frass verspreid. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Poaceae, nauw monofaag

Glyceria maxima.

Schütze (1931a) noemt bovendien G. fluitans, maar dat wordt door geen enkele latere auteur herhaald.

fenologie

Larven in april-mei en juli-augustus (Bland, 1996a; Buszko, 1990a; Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia en de Baltische Staten tot België, de Alpen en Hongarijë, en van Ierland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2010).

larve

pop

Zie Bland (1996a), Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a).

literatuur

Baran, Mazurkiewicz & Pałka (2007a), Beiger (1955a), Bland (1996a), Buhr (1935b), Buszko (1990a), Drăghia (1968a), Ford (1943a), Heckford (1986a), Hering (1925a, 1957a), Huber (1969a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Parenti & Varalda (1994a), Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Sruoga & Ivinskis (2005a), Surányi (1942a), Szőcs (1977a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a).

20/11/2011