Elachista quadripunctella (Hübner, 1825)

Lepidoptera, Elachistidae

mijn

De larve maakt vanaf de bladtop een grote langerekte, onderzijdige, epidermale blaasmijn. Op de onderepidermis wordt spinsel afgezet, waardoor deze samentrekt en een kenmerkende vouwmijn ontstaat met duidelijke lengteplooien. Daarna begint de larve te vreten aan het parenchym, zodat de aanvankelijk nog groene bovenzijde verandert in vlekkerig lichtgeel-groen. De bladtop met het bovenste deel van de mijn verschrompelt tot een smalle buis, en hierin wordt de frass gedeponeerd. De larve maakt verscheidene van zulke mijnen. Verpopping, heel ongewoon voor Elachista‘s, binnen in de mijn.

waardplanten

Cyperaceae, Juncaceae; nauw polyfaag

Carex flacca; Luzula luzuloides, pilosa, sylvatica.

fenologie

Larven van eind september tot laat in het volgende voorjaar (Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a); Buszko (1990a) vond larven in april.

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië en Letland tot de Pyreneeën en Italië, en van Frankrijk tot Roemenië (Fauna Europaea, 2010).

larve

Opvallend slank, tot 8 mm lang. Lichaam kleurloos, behalve door de darminhoud. Kop, pronotum, prosternum en anale plaat met zeer zwak gechitiniseerde sclerieten.

pop

Zie Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Elachista quadrella (Hübner, 1905): Hering (1957).

literatuur

Baldizzone (2004a), Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a) Ukraine, Buhr (1935b), Buszko (1990a), Hering (1957a), Huemer (1986b), Parenti & Varalda (1994a), Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Sruoga & Ivinskis (2005a), Starý (1930a), Steuer (1980a), Szőcs (1977a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a), Wörz (1957a).

08/02/2011

mod 28.vi.2017