Elachista stabilella Stainton, 1858

schorrengrasmineermot

mijn

Lange smalle gelige gangmijn die van de bladtop naar de bladbasis afdaalt; soms 3-4 larven in een blad. Vaak verscheidene larven in een mijn. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Poaceae, oligofaag

Agrostis; Avena fatua; Brachypodium pinnatum, sylvaticum; Calamagrostis; Deschampsia cespitosa; Milium effusum; Poa badensis; Schedonorus arundinaceus.

Door Robbins (1991a) eenmaal gekweekt ui Carex sp.

fenologie

Larven van februari tot eind mei en dan weer juni-juli (Bland, 1996a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

NE waargenomen (Huisman & Koster, 1994a; Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot Zwitserland, en van Engeland tot Roemenië; daarnaast ook in het Iberisch Schiereiland (Fauna Europaea, 2009).

larve

Lichaam gelig, kop en thoracale plaat bruin; prothoracale plaat in tweeën gedeeld.

synoniemen

Cosmiotes stabilella.

literatuur

Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a), Bland (1996a), Heckford (1985a), Hering (1957a), Huisman & Koster (1994a), Kuchlein & de Vos (1999a), Liška ao (2000a), Parenti & Varalda (1994a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sønderup (1949a), Szőcs (1977a), Traugot-Olsen & Schmidt Nielsen (1977a).

30/03/2017

mod 13.ii.2018