Elachista utonella Frey, 1856

gevlekte zeggemineermot

mijn

De mijn begint ergens midden in het blad als een gang die loopt in de richting van van de bladtop. Na enige tijd keert de richting om, en ontstaat een langgerekte blaas die de halve bladbreedte inneemt. Frass, aanvankelijk lichtgroen, later grijs, geconcentreerd in het onderste deel van de mijn. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

(Juncaceae, Poaceae), Cyperaceae; nauw polyfaag

Carex acutiformis, brizoides, distans, disticha, echinata, elata, flacca, hirta, muricata & subsp. pairae, paniculata, remota, riparia, spicata, vesicaria; Festuca; Juncus gerardi; Scirus sylvaticus.

In Engeland is Carex acutiformis de belangrijkste waardplant (Bland, 1996a).

fenologie

Hoe de overwintering plaatsvindt is niet duidelijk. Mijnen worden in Engeland gevonden in maart-mei, maar mogelijk heeft de soort op het Europese vasteland twee generaties (Bland, 1996a; Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia tot de Pyreneeën en Italië, en van Ierland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2010).

larve

Geelgroen tot grijzig met een zwarte kop en een lichtbruine prothoracale plaat.

pop

Beschreven door Patočka (1999a) en Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Biselachista utonella; Elachista paludum Frey, 1859.

opmerkingen

Doets (1949a) vond de mijnen in Kortenhoef op Carex riparia, “…alleen aan planten die zeer verborgen onder wilgen groeien…”

literatuur

Baran, Mazurkiewicz & Pałka (2007a), Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a), Biesenbaum (1995b), Bland (1996a), Buhr (1935a), Doets (1949a), Ford (1943a), Harper (1995a), Hering (1957a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ellis (2009a), Kaila, Nupponen, Junnilainen, Nupponen, Kaitila & Olschwang (2003a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Parenti & Pizzolato (2015a), Parenti & Varalda (1994a), Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sønderup (1949a), Sruoga & Ivinskis (2005a, 2011a), Szőcs (1977a, 1981a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a), Wörz (1957a).

mod 29.vii.2019