Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Stephensia brunnichella

Stephensia brunnichella (Linnaeus, 1767)

halsbandmineermot

Stephensia brunnichella: primary mine on Clinopodium vulgare

Clinopodium vulgare, België, prov. Luik, Modave, 16.xi.2018 © Philippe Vanmeerbeeck: primaire mijnen

Stephensia brunnichella: secondary mine on Clinopodium vulgare

primaire en decundaire mijn

Stephensia brunnichella: larva

larve

Stephensia brunnichella: exuvium

exuvium

mijn

Ei langgerekt, met sterke lengteribbels, aan de bladonderzijde, vlak bij de hoofdnerf, in de basale helft van het blad. Het ei wordt deels ingeboord in het bladweefsel. De larve maakt aanvankelijk een lange nauwe voldiepe gangmijn in de richting van de bladtop; frass hier in een smalle centrale lijn.Na het bereiken van de bladtop wordt een grote, voldiepe, bruine blaasmijn gemaakt. Door het vele spinsel dat in de mijn wordt afgezet is deze ondoorzichtig en sterk samengetrokken. De frass ligt hier in grote zwarte klompen het het begin, of in het centrum, van de blaas. Larven kunnen de mijn verlaten en elders een nieuwe blaasmijn maken, die dan dus niet door een gang wordt voorafgegaan. De larve van de eerste generatie overwintert in de mijn. Verpopping buiten de mijn in een wit spinsel, vaak tussen de bladeren van de waardplant.

waardplanten

Lamiaceae, nauw oligofaag

Clinopodium nepeta & subsp. glandulosum, vulgare; Origanum.

fenologie

Larven van de herfst tot april, en dan weer in juli (Traugott-Olsen & Nielsen, 1977a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Grootste deel van Europa; ontbreekt in Spanje, de Middellandse Zee-eilanden, en het Balkan-Schiereiland (Fauna Europaea, 2010).

larve

Zie Steuer (1987a) en Baran (2010a); lichaam groenig, kop en prothoracale plaat zwart.

pop

Zie Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Stephensia staudingeri Nielsen & Traugott-Olsen, 1981 – zie Parenti & Pizzolato (2014a).

literatuur

Aarvik, Bakke, Berg ao (1997a), Baldizzone (2004a), Baran (2005a, 2010a), Baran, Mazurkiewicz & Palka (2007a), Beiger (1979a), Bidzilya, Budashkin & Zhakov (2016a), Bland (1996a), Buhr (1935a), Buszko & Beshkov (2004a), Gielis, Huisman, Kuchlein ao (1985a), Hering (1924a, 1957a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ellis (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Nielsen & Traugott-Olsen (1978a, 1981a), Parenti & Pizzolato (2014a), Parenti & Varalda (1994a), Patočka (1999a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Skala (1949a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Sruoga & Ivinskis (2005a, 2011a), Steeman & Sierens (2020a), Steuer (1987a, 1995a), Šulcs (1996a), Szőcs (1977a), Traugott-Olsen & Nielsen (1977a), Wörz (1957a).

Laatste bewerking 7.vi.2021