Spuleria flavicaput (Haworth, 1828)

geelkopmot

op meidoorn

parasiet

De larve leeft gedurende de nazomer in een gang in een boorgang in het merg van een jonge dunne twijg. De ca 3 cm lange gang loopt van de basis van de scheut naar boven. Er wordt geen frass uitgeworpen, evenmin bevindt zich frass in de boorgang. Aan het einde van de gang maakt de larve een smal-ovale uitvliegopening. De gang wordt kort onder de uitgang met spinsel dichtgemaakt. De verpopping volgt in de late herfst, in de boorgang.

waardplanten

Rosaceae, monofaag

Crataegus laevigata, monogyna.

verspreiding binnen Europa

(PESI, 2019).

pop

Zie Patočka.

synoniemen

Spuleria aurifrontella (Geyer, 1832).

literatuur

Emmet & Langmaid (2002b), Gerstberger (2000a), Klimesch (1960a), Koster & Sinev (2003a), Kuchlein, Gielis, Huisman ao (1988a), Patočka (1997a), De Prins & Steeman (2011a).

mod 30.viii.2019