Phthorimaea operculella (Zeller, 1873)

aardappelmot

op Solanaceae

Phthorimaea operculella mines

Solanum nigrum, Canarische Eilanden, El Hierro

mijn

De eieren worden in de grond afgezet, en de larve met dus eerst een waardplant vinden en beklimmen. Onregelmatige, grote, zeer transparante blaasmijnen zonder herkenbare begingang. Frass als een zwarte massa, vooral in het begindeel van de mijn. De larven verhuizen enige malen, en kunnen ook in de stengel en ondergrondse delen boren.

waardplanten

Solanaceae, oligofaag

Hyoscyamus albus; Lycopersicon esculentum; Nicotiana glauca, tabacum; Solanum dulcamara, melongena, nigrum, tuberosum, villosum.

fenologie

Larven in juli-september (Bland ea, Engeland, 2002a); in warmere gebieden verscheidene generaties per jaar.

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa ten zuiden van de lijn Ierland – Zuid-Rusland (Fauna Europaea, 2009). Oorspronkelijk uit Zuid-Amerika.

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Gelechia operculella.

opmerkingen

Overal in de tropen en subtropen, incl. het Middellandse Zeegebied, een plaag van vooral aardappel, maar ook wel tabak. De larve is vooral schadelijk door boren in de aardappelknollen (“potato tuber worm”).

literatuur

Aguiar & Karsholt (2006a), Biesenbaum (2000b), Bland, Corley, Emmet ao (2002a), Elsner, Huemer & Tokár (1999a), Gómez de Aizpúrua (2003a), Hering (1927a, 1936b, 1957a), Huemer & Karsholt (2010a), Huertas Dionisio (2007a), Klimesch (1984a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Langmaid & Young (2009a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), De Prins & Steeman (2011a), De Prins, Steeman & Sierens (2016a), Rivera & Burrack (2012a), van Roosmalen, Wijker & Knijnsberg (2013a), Stehr (1987a), Swezey (1944a), Szőcs (1977a).

mod 1.viii.2019