Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Scrobipalpa acuminatella

Scrobipalpa acuminatella (Sircom, 1850)

distelzandvleugeltje

Scrobipalpa acuminatella mine

Cirsium vulgare, Nieuwendam

mijn

Het ei wordt afgezet bovenop de hoofdnerf. Meteen na het uitkomen vreet de larve een holte in de nerf, met aansluitend een onregelmatige blaas in de bladschijf. De larve blijft leven in de hoofdnerf die hij steeds verder uitholt en maakt van daaruit brede, uiteindelijk bruinige voldiepe uitlopers aan weerszijden. De mijn bevat veel frass; het meeste is geconcentreerd in de zone grenzend aan de hoofdnerf. In oudere mijnen is het eerste, niet meer bewoonde deel van de hoofdnerf van boven vaak opengescheurd. Mijnen vooral in de onderste bladeren. De slanke larven bewegen zich bij verstoring heel snel in de mijn; als ze rusten (overdag) liggen ze in de lengte in de uitgevreten hoofdnerf. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Asteraceae, monofaag

Carduus acanthoides, crispus, defloratus & subsp. glaucus, nutans; Cirsium acaulon, arvense, canum, ciliatum, eriophorum, erisithales, helenioides, monspessulanum, oleraceum, palustre, rivulare, spinossissimum, tuberosum, vulgare.

Waarnemingen van Carlina vulgaris en Tussilago farfara zijn mogelijk incidenteel. Waarnemingen van Onopordum zijn onzeker. Waarnemingen van Centaurea benedicta, scabiosa en Serratula tinctoria hebben vermoedelijk betrekking op Scrobipalpa pauperella (Sattler, 1986a, Jansen, 1999a; Bland ao, 2002a). In dit licht zijn ook vermeldingen van Artemisia campestris en Tanacetum vulgare (Elsner ea, 1999a) niet erg geloofwaardig.

fenologie

Volgroeide larven in de eerste drie weken van juli en de tweede helft van september; overwintering als pop (Jansen, 1999a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microleidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa (Fauna Europaea, 2009).

larve

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Gnorimoschema, Lita acuminatellum; Gnorimoschema, Phthorimaea alpicolella: Klimesch (1951b, 1958a), Hering (1957a) nec Bryotropha alpicolella Heinemann, 1870 [cf. Sattler (1986a) en Karsholt & Rutten (2005a)].

opmerkingen

Bland (1992a) vond in Schotland een mijn op Tussilago farfara die leek op die van Scrobipalpula tussilaginis (mogelijk wat kleiner is), maar waaruit Scrobipalpa acuminatella werd gekweekt. Het feit dat hij ondanks zoeken maar één mijn vond, en dat Tussilago niet tot de normale voedselplanten van acuminatella behoort doet vermoeden dat dit een incidentele waarneming betrof.

literatuur

Ahr (1966a), Baldizzone (2004a, 2008a), Beiger (1955a, 1970a, 1979a), Bland (1992a), Bland, Corley, Emmet ao (2002a), Buhr (1930a, 1935a, 1964a), Corley, Maravalhas & Passos de Carvalho (2006a), Elsner, Huemer & Tokár (1999a), Gielis, Huisman, Kuchlein, van Nieukerken, van der Wolf & Wolschrijn (1985a), Hering (1957a), Huber (1969a), Huemer (2012a), Huemer & Karsholt (2010a), Huisman & Koster (2000a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ellis (2007a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2005a), Jansen (1999a), Kaitila (1996a), Kasy (1965a), Klimesch (1951b, 1958a,c), Klimesch & Skala (1936a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Landry ao (2013a), Maček (1999a), Michalska (1970a, 1976a), Nowakowski (1954a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (2010a), Requena (2009a), Robbins (1991a), Sattler (1986a), Skala (1950a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Szőcs (1977a, 1981a), Zoerner (1969a).

Laatste bewerking 7.ii.2021