Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Scrobipalpa atriplicella

Scrobipalpa atriplicella (Fischer von Röslerstamm, 1841)

ganzenvoetzandvleugeltje

mijn

Jonge larven maken gang- of blaasachtige mijnen vanuit een uit spinsel vervaardigde buis. De mijn bevat vrijwel geen frass.

waardplanten

Amaranthaceae, oligofaag

Atriplex laciniata, patula, prostrata, tatarica; Beta vulgaris; Chenopodiastrum hybridum, murale; Chenopodium album, ficifolium, quinoa; Halimione portulacoides.

fenologie

Larven in juni en september-october (Jansen, 1999a en in litt.).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa (Fauna Europaea, 2010).

larve

Groen-geel met vijf bleke roze lengtestrepen; kop geelbruin, prothoracale en anale plaat groen (Jansen, 1999a; Bland ea, 2002a).

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Gnorimoschema atriplicellum, Lita atriplicella.

opmerkingen

Schadelijk in cultures van Chenopodium quinoa (Huemer & Karsholt, Sigsgaard es).

literatuur

Bland, Corley, Emmet ao (2002a), Elsner, Huemer & Tokár (1999a), Hering (1957a), Huemer (2012a), Huemer & Karsholt (2010a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2005a), Jansen (1999a), Kaitila (1996a), Kasy (1965a), Klimesch (1950c), Kozlov & Kullberg (2006a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Leutsch (2011a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Requena (2009a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sattler (1986a), Sigsgaard, Jacobsen & Christiansen (2008a), Szőcs (1977a).

Laatste bewerking 6.viii.2020