Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Scrobipalpa chrysanthemella

Scrobipalpa chrysanthemella (E Hofmann, 1867)

Lepidoptera, Gelechiidae

mijn

Mijn gewoonlijk in de top van een laag blad, de hele breedte innemend, met korte uitlopers zich uitbreidend tot halverwege. De mijn is blazig, samengetrokken, en heeft plooien. De larve maakt verscheidene mijnen, de latere meer in het centrum van een blad. De eerste mijn bevat veel frass, latere mijnen weinig tot geen. Verse mijnen zijn lichtbruin. Verpopping al dan niet intern.

waardplanten

Asteraceae, nauw oligofaag

Leucanthemum atratum, vulgare; Tanacetum corymbosum.

Door Szőcs (1977a) ook vermeld van Chrysanthemum, maar door de nomenlatuur-chaos omtrent de geslachten Argyranthemum, Chrysanthemum, Leucanthemum, Tanacetum is zonder soortsnaam niet uit te maken wat bedoeld wordt. Vermeldingen van Artemisia absinthium hebben waarschijnlijk betrekking op Scrobipalpa proclivella (Huemer & Karsholt, 2010a).

fenologie

Larven in october-november (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Duitsland tot Italië, Servië en Roemenië; ook in Centraal, Oost- en Zuid-Rusland (Fauna Europaea, 2010).

larve

Lichaam gelig met rose tinten; pinancula klein, zwart met een geel ringetje. Kop geelbruin, prothoracale plaat zwart, tweedelig (Hofmann, 1867a).

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Gnorimoschema chrysanthemellum, Lita chrysanthemella; Lita opificella Mann, 1877.

opmerkingen

Mijnen in de wortelbladeren van planten op vochtige, beschaduwde standplaatsen in de late herfst (Hofmann, 1867).

literatuur

Elsner, Huemer & Tokár (1999a), E Hofmann (1867a), Hering (1957a), Huemer & Karsholt (2010a), Klimesch (1958a), Patočka & Turčáni (2005a), Sattler (1986a), Skala (1950a), Szőcs (1977a).

25/04/2011

Laatste bewerking 18.vii.2017