Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Scrobipalpa murinella

Scrobipalpa murinella (Duponchel, 1843)

mijn

Aanvankelijk een lineaire mijn die vanuit de bladbasis het blad binnengaat. Later worden bladeren van de zijrand geopend en vandaar geheel uitgemijnd. Mijnen vooral in de basale bladeren. Tijdens het verhuizen van het ene blad naar het ander wordt spinsel geproduceerd. UItgemijnde bladeren vergelen, bollen ietwat en verkrommen; in zo’n blad vindt ook de verpopping plaats.

waardplanten

Asteraceae, monophaag

Antennaria dioica.

Verwijzingen naar Gnaphalium = Omalothecium supinum zijn incorrect (Sattler, 1986a; Huemer & Karsholt, 2010a).

fenologie

Larven van juni tot augustus (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia tot de Pyreneeën, Italië en Roemenië, en van Ierland tot Zuid-Rusland (Fauna Europaea, 2009).

larve

Beschreven door Klimesch (1943c). De larve is wittig met 3 gele, later rode lengtelijnen; prothoracale plaat met een zwarte tekening.

synoniemen

Gnorimoschema murinella; Lita cacuminum: Klimesch (1943c) – zie Huemer & Karsholt (1998a, 2010a).

literatuur

Baldizzone (2008a), Bland, Corley, Emmet ao (2002a), Elsner, Huemer & Tokár (1999a), Heckford (2001a, 2010a), Hering (1957a), Huemer & Karsholt (1998a, 2010a), Jansen (1999a), Kaitila (1996a), Klimesch (1943c, 1958a), Kozlov & Kullberg (2006a), Pröse (1997a), Sattler (1986a), Skala (1950a), Szőcs (1977a).

Laatste bewerking 21.ii.2020