Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Scrobipalpula diffluella

Scrobipalpula diffluella (Frey, 1870)

mijn

De mijn is eerst lineair, later een blaas. Verpopping buiten de mijn. In tegenstelling tot S. psilella mineert de larve niet vanuit een spinselbuis.

waardplanten

Asteraceae, oligofaag

Aster alpinus, amellus; Bellidiastrum michelii; Erigeron acris & subsp. politus, uniflorus; Homogyne alpina.

Hering (1957a) noemt “Gnorimoschema cacuminum” als mineerder van Gnaphalium en Leontopodium. Het is niet geheel zeker dat dit inderdaad betrekking heeft op diffluella.

fenologie

Larven in juni (Huemer & Karsholt, 2010a).

BENELUX

Niet bekend uit de Beneluxlanden (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia tot de Pyreneeën en Italië, en van Engeland tot Polen en Servië; gebergtesoort (Beiger, 1979b; Fauna Europaea, 2009).

larve

Lichtgroen, kop lichtbruin (Klimesch, 1951b).

synoniemen

Gnorimoschema diffluellum; Scrobipalpula cacuminum (Frey, 1870) is nomenclatuur-technisch een synoniem van diffluella, maar is ook vaak verward met Scrobipalpa murinella (zie Huemer & Karsholt, 2010a).

Gnorimoschema uniflorellum, door by Hering (1957a) toegeschreven Klimesch, en door hem gemeld als mineerders bij Erigeron en Homogyna is nooit gepubliceerd; de naam is niet geldig voor de nomenclatuur omdat hij gebaseerd is op “the work of an animal”. Hij wordt geïnterpreteerd als diffluella door Huemer & Karsholt (2010a).

literatuur

Beiger (1979b), Bland, Corley, Emmet ao (2002a), Elsner, Huemer & Tokár (1999a), Heckford & Sattler (1999a), Hering (1957a), Huemer (2012a), Huemer & Karsholt (1998a, 2010a), Klimesch (1950c, 1951b, 1958a), Tabell (2008a).

Laatste bewerking 1.viii.2019