Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Coleotechnites piceaella

Coleotechnites piceaella (Kearfott, 1903)

mijn

Vier tot zes bijeenstaande naalden worden van beneden naar boven volledig uitgemijnd. De naalden hebben een gaatje bij de basis; deze ingangen zijn soms verbonden door een spinselbuis. Tussen de naalden een ijl spinsel. Alle frass wordt naar buiten gewerkt. Mijnen treden bij voorkeur op waar weersomstandigheden of insectenvraat de weerstand van de boom heeft verzwakt.

waardplanten

Pinaceae, monofaag

Picea omorika, pungens.

fenologie

Larven van september tot eind mei (Bland ea, 2002a; McLeod, 1966a).

BENELUX

Nog geen waarnemingen uit de Benelux (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Noord-amerikaanse soort, die in 1952 in Engeland verscheen, in 1963 in Duitsland, en zich van daar uit heeft verspreid over heel Centraal Europa, tot Frankrijk, Italië en Hongarije (Führer, 1963a; Mey & Schnee, 1992a; Csóka, 2003a).

larve

Oranjebruin, strokleurig tot steenrood met lichtbruine kop; tijdens de winterrust veel donkerder. Pronotum donker, met veel lichter voorrand (Bland ea, 2002a; Freeman, 1967a; McLeod, 1962a, 1966a; Mey & Schnee, 1992a). De larve van een verwante soort, C. milleri (Busck), wordt afgebeeld door Stehr (1987a).

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Eucordylea, Pulicalvaria, Recurvaria piceaella.

opmerkingen

Freeman schrijft dat de larven mineren in naalden van het vorige jaar, maar Bland ea spreken nadrukkelijk van mineren in de naalden van het lopende jaar. Führer schrijft dat voor de winter slechts 1 naald wordt uitgemijnd.

literatuur

Bland, Corley, Emmet ao (2002a), Csóka (2003a), Elsner, Huemer & Tokár (1999a), Freeman (1967a), Führer (1963a), Kollár & Hrubík (2009a), McLeod (1962a, 1966a), Mey & Schnee (1992a), Modlinger & Liška (2016a), Patočka & Turčáni (2005a).

Laatste bewerking 7.ii.2021