Scrobipalpa salinella (Zeller, 1847)

zeekraalzandvleugeltje

mijn

Lange, draaddunne onder- of bovenzijdige gangmijn, met een centrale bruine of zwarte frasslijn. Na verloop van tijd wordt deze primaire mijn verlaten en maakt de larve kortere, aanzienlijk bredere voldiepe blaasmijntjes. Uiteindelijk leven de larven vrij in een spinsel tussen de bladeren.

waardplanten

Amaranthaceae, oligofaag

Arthrocnemum macrostachyum; Salicornia euopaea; Sarcocornia fruticosa.

Volgens de literatuur ook op Aster tripolium, Halimione pedunculata en Suaeda maritima maar dit betreft waarschijnlijk toevalsvondsten of verwarring met mijnen van Bucculatrix maritima (Bland, 2002a; Jansen, in litt.).

De lijst waardplanten genoemd door Elsner ea (1999a), met onder meer Atriplex, Spergularia media en zelfs Ferula is bizar.

fenologie

Larven in april-juni (Bland ea, 2002a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 20909).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Vrijwel heel Europa, Ierland uitgezonderd (Fauna Europaea, 2009).

larve

Vuilgeel met een rode lengtestreep; kop lichtbruin; pronotum, anale plaat en borstpoten zwart.

synoniemen

Gnorimoschema salinellum; Scrobipalpa salicorniae (E Hering, 1889).

opmerkingen

Huemer & Karsholt (2010a) beschouwen salicorniae als een goede soort. Waarschijnlijker zijn de twee uitersten van een clinale variatie, met een noordelijke ondersoort salcorniae die leeft op Salicornia en een zuidelijke (typische) ondersoort salinella op Arthrocnemum spp.

literatuur

Bland ao (2002a), Corley (2005a), Elsner, Huemer & Tokár (1999a), Gerstberger (2003a), Huemer & Karsholt (2010a), Jansen (1999a), Kaitila (1996a), Kasy (1959a, 1965a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Sattler (1986a), Szőcs (1977a), Wegner (2010a, 2013a).

mod 23.iii.2018