Bucculatrix fatigatella von Heyden, 1863

mijn

De larve maakt aanvankelijk een draaddun gangetje vaak langs de bladrand, met een in verhouding brede, continue frasslijn. Na een tijdlang verlaat de larve de gang en gaat vrij leven. Na het verlaten van de gang blijft er aan het einde een relatief lange, frassvrije larvekamer over. De vrije larve vreet op een aantal plaatsen op een blad gaatjes in de epidermis, en maakt van daaruit een kleine ronde vlekmijntjes.

waardplanten

Asteraceae, nauw oligofaag

Achillea millefolium; Artemisia alpina, campestris, umbelliformis.

Volgens Burmann (1991a) leeft de soort strikt monofaag op Achillea millefolium; het materiaal van Artemisia zou tot een nog onbeschreven soort behoren. Hering (1957a) meldt fatigatella eveneens van Leontopodiummaar de beschrijving van de mijn die hij geeft past niet bij deze soort.

fenologie

Larven in juni (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Alpen.

larve

Uitvoerig beschreven door Klimesch (1950b) – gebaseerd op materiaal van Artemisia alpina.

literatuur

Burmann (1943a, 1991a), Hering (1957a), Klimesch (1950b, 1956a), Thomann (1956a).

mod 18.ii.2020