Bucculatrix humiliella Herrich-Schäffer, 1855

mijn

De jonge larve mineert een fijne bladdslip geheel uit, deponeert daar een zwarte centrale frasslijn. Oudere larven leven vrij bovenop het blad, en veroorzaken daar venstervraat.

waardplanten

Asteraceae, oligofaag

Achillea millefolium; Tanacetum vulgare.

fenologie

Larven in juni-juli (Emmet, 1985a, Schotland).

BENELUX

Niet bekend van de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia tot Iberia en de Alpen, en van Engeland tot Polen (Emmet, 1985a; Fauna Europaea, 2009; Z & A Laštůvka, 2009b).

larve

Kop geelbruin; lichaam olijfgroen, drie paar lengte rijen wittige pinacula; poten geelbruin.

pop

In een witte geribde cocon.

synoniemen

Bucculatrix obscurella Klemensiewicz, 1899; B. capreella Krogerus, 1952; B. merei Pelham-Clinton, 1967.

literatuur

Bengtsson & Johansson (2011a), Buszko (1992b), Emmet (1985a), Hering (1957a), Klimesch (1937b, 1956a), Leutsch (2011a), Schmid (2011a), Svensson (1971a), Young (1985a).

mod 15.ix.2018