Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Bucculatrix thoracella

Bucculatrix thoracella (Thunberg, 1794)

lindeooglapmot

Bucculatrix thoracella mine

Tilia cordata, Maarn

Bucculatrix thoracella mine and cocoonet

Tilia sp., België, prov. Namen, Andenne: verlaten mijntje en vervellingscoconnetje © Jean-Yves Baugnée

Bucculatrix thoracella: vacated mines on Acer platanoides

Acer platanoides, België, Luik, Coteaux de la Citadelle © Jean-Yves Baugnée

Bucculatrix thoracella: vacated mines on Acer platanoides

verlaten mijnen

mijn

Klein, voldiep, haakvormig mijntje, meestal in een nerfoksel, met een in verhouding zeer grote larvekamer. Het overige deel van de mijn vrijwel geheel met frass gevuld. Bij het begin van de mijn een iriserend eischaaltje. De larven verlaten al spoedig de mijn en leven vrij aan de onderzijde het blad.

Onmiddellijk na het verlaten van de mijn vervelt de larve, in een voor dat doel gemaakt schijfvormig coconnetje. De larven van veel Bucculatrix-soorten vervellen later nog eens op soortgelijke wijze. Verpopping in een spoelvormige, grijs- of geelbruine, sterk geribde, cocon.

waardplanten

Malvaceae en andere houtige gewassen

Acer campestre, platanoides, pseudoplatanus; Aesculus hippocastanum; Alnus; Betula; Carpinus betulus; Castanea sativa; Fagus sylvatica; Sorbus; Tilia cordata, x euchlora, x eueopaea, mongolica, platyphyllos, tomentosa

In Nederland en Engeland uitsluitend op Tilia voorkomend. In België bijna uitsluitend – in 2013 door Jean-Yves Baugnée voor het eerst waargenomen op noorse esdoorn. Waar in Engeland Tilia cordata en T. x vulgaris samen voorkomen bestaat er een uitgesproken voorkeur voor cordata (Emmet, 1985a).

Eenmaal ook waargenomen op Castanea (Hering, 1957a).

fenologie

Larven in juni-juli en augustus-october; overwintering als pop in een cocon (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1994a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009)

NE waargenomen (Kuchlein & van Frankenhuyzen, 1994a; Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa, behoudens Ierland, en het Balkan-Schiereiland (Fauna Europaea, 2009), Laštůvka & Laštůvka (2017a).

larve

Kop geelwit, pronotum lichtgrijs (Hering, 1957a).

pop

In een witte, geribde cocon, vaak op de stam van de waardplant. De pop wordt beschreven door Patočka (1996a), Patočka & Turčáni (2005a). Hij onderscheidt zich van alle andere bekende soorten van het geslacht door een groepje van twee dorsolaterale tuberkels op abd. 10.

opmerkingen

Voor het eerst in Nederland waargenomen in 1967. De soort heeft zich de laatste jaren zeer sterk zuidwaarts uitgebreid en is sterk in abundantie toegenomen. Ook op stadslinden talrijk. Ook in 80-er jaren Engeland breddide de soort zich opvallend uit (Emmet, 1984c).

Burmann (1991a) beschrijft hoe de soort in Tirol als een plaag optrad in stedelijk groen, vooral op esdoorn en linde.

literatuur

Bengtsson & Johansson (2011a), Biesenbaum (2010a), Borkowski (2003a), Buhr (1964a), Burmann (1991a), Buszko (1992b), Emmet (1984c, 1985a), Gielis, Huisman, Kuchlein ao (1985a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1957a, 1961a), Huemer (2012a), Huemer & Erlebach (2003a), Kasy (1983a, 1987a), Klimesch (1937b, 1950c, 1956a), Kollár & Hrubík (2009a), Klimesch (1958c), Kuchlein & van Frankenhuyzen (1994a), Kuchlein & de Vos (1999a),Kiurz & Kurz (2007a), Kurz & Embacher (2012a), Laštůvka & Laštůvka (2017a), Leutsch (2011a), Maček (1999a), Meijer, Smit, Beukeboom & Schilthuizen (2012a), Michna (1975a), Nowakowski (1954a), Patočka (1996a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (2010a), Robbins (1991a), Sefrová (2005a), Smart (2017a), Sønderup (1949a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Zoerner (1969a).

Laatste bewerking 19.xii.2021