Caloptilia cuculipennella (Hübner, 1796)

grauwe steltmot

Caloptilia cuculipennella: mine on Fraxinus excelsior

Fraxinus excelsior, Retranchement © Anna Almekinders

Caloptilia cuculipennella: leaf roll on Fraxinus excelsior

bladrol

Caloptilia cuculipennella mine

Fraxinus excelsior, België, Antoing © Chris Snyers

Caloptilia cuculipennella leaf roll

bladrol

Caloptilia cuculipennella

Ligustrum ovalifolium, België, Zemst © Jorgen Ravoet

Caloptilia cuculipennella: mine on Fraxinus excelsior

Fraxinus excelsior, Spanje, Asturias, Gijon © Jean-Yves Baugnée

Caloptilia cuculipennella: leaf rolls on Fraxinus excelsior

Fraxinus excelsior, Drachten © Gerrit Tuinstra: zeven rollen in twee bladeren

Caloptilia cuculipennella: cocoon

cocon

Caloptilia cuculipennella: mines on Fraxinus excelsior

Fraxinus excelsior, Frankrijk, dép. Haute-Garonne, Avignonet-Lauragais © Catherine Reymonet

Caloptilia cuculipennella: mines on Fraxinus excelsior

verscheidene mijnen bijeen

Caloptilia cuculipennella: larva in the mine

twee larven in hun mijn (latere bladrollen waargenomen, maar niet gefotografeerd)

mijn

Larve solitair in een langgerekte bovenzijdige epidermale (daardoor zilverkleurige) mijn. De frass ligt aanvankelijk in een roestbruine middenlijn. Later, wanneer de mijn zich begint samen te trekken en het blad zich over de mijn vouwt is de frass zwart en ligt in een klomp in een hoek van de mijn. De larve verlaat daarna de mijn, en leeft in een naar beneden opgerold blad. In elke geval bij liguster heeft dit de vorm een kegelvormig peperhuisje met een spitse top, dat aan de brede basis is vastgesponnen op het blad.

waardplanten

Oleaceae, oligofaag

Fraxinus americana, angustifolia & subsp. oxycarpa, anomala, excelsior, latifolia, nigra, ornus, pennsylvanica, quadrangulata, sogdiana; Jasminum; Ligustrum ovalifolium, vulgare; Phillyrea; Syringa vulgaris.

fenologie

Hoewel de literatuur vermeldt dat larven gezien worden tussen juli en september (Hering, 1957a; Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a) vermelden de laatstgenoemden dat het imago overwintert, en vliegt tot in mei. Daarin past goed een waarneming door Jorgen Ravoet, die al larven vond op 6 mei 2009 (België, foto hierboven). In Zuid-Engeland lijken twee generaties te vliegen (Young, 2013a).

BENELUX

BE zeldzaam en achteruitgaand (De Prins, 1998a); of dit nog zo is?

NE slechts enkele oude waarnemingen, maar in 2007 zijn mijnen gevonden door Ben van As.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europe, uitgezonderd het Iberisch Schiereiland en Griekenland (Fauna Europaea, 2008).

larve

pop

Voor de verpopping maakt de larve een rond gaatje in het peperhuisje, dat later als uitgang moet dienen. De pop bevindt zich in een witte cocon een hangmatje dat in het huisje gespannen is tussen deze opening en een punt die in het huisje (foto’s in Parenti & Varalda, 2000a). De pop wordt beschreven door Patočka & Zach (1995a), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Coriscium cuculipennellum.

literatuur

Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Biesenbaum (2010a), SCS Brown (1947a), Buhr (1935b), Buszko (1992c), Corley, Marabuto & Pires (2007a), Corley, Rosete, Gonçalves ao (2016a), Drăghia (1970a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Hering (1957a), Huber (1969a), Klimesch (1950c), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1973a), Kuchlein & de Vos (1999a), A & Z Laštůvka (2011a, 2014a), Lhomme (1934c), Opheim (1977a), Parenti (2001a), Parenti & Varalda (2000a), Patočka & Turčáni (2005a), Patočka & Zach (1995a), De Prins (2010a), De Prins & Steeman (2011a), Robbins (1991a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Triberti & Braggio (2011a), Young (2013a).

mod 11.ii.2018