Calybites magnifica (Stainton, 1867)

>

mijn

Ei aan de bladonderzijde. Hier begint een lange, onderzijdige, sterk vertakte, epidermale, gang. Na verloop van tijd wordt het diepere bladweefsel gegeten, en ontwikkelt zich een vouwmijn met verspreid liggende frasskorrels. Uiteindelijk wordt de mijn verlaten en maakt de larve op een ander blad een (bijna altijd) naar beneden omgerolde bladomslag, die van binnenuit wordt leegggeten. De larve verlaat voor de verpopping de rol via een rond gaatje. Gewoonlijk op hetzelfde blad wordt aan de rand een geelwitte, sterk glanzende cocon gemaakt; deze is is 7-9 mm lang en heeft een lengteplooi.

waardplanten

Berberidaceae, monofaag

Epimedium alpinum.

fenologie

Larven in juli, augustus.

verspreiding binnen Europa

Zuidelijke Alpen en voormalig Jugoslavie (J & W De Prins, 2010).

larve

De minerende larve is groen, de vrijlevende bleek groengeel. Klimesch (1946b) geeft een gedetailleerde beschrijving van morfologie en chaetotaxie.

pop

Ca 6 mm, bleek gelig. Zie Klimesch (1946b) voor een beschrijving.

synoniemen

Caloptilia, Xanthospilapteryx magnifica.

literatuur

Hering (1957a), Klimesch (1946b, 1950c), Maček (1999a).

mod 19.ix.2018