Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Gracillaria syringella

Gracillaria syringella (Fabricius, 1794)

seringensteltmot

Gracillaria syringella on Syringa vulgaris: mine

Syringa vulgaris, Russia, Moscow region, Orekhovo-Zuevsky district, dorp Topoliniy 18.vi.20118 © Andrey Ponomarev

Gracillaria syringella on Syringa vulgaris: young larvae

jonge larven in geopende mijn

Gracillaria syringella on Syringa vulgaris: older larva

oudere larve

Gracillaria syringella on Syringa vulgaris: leaf fold

bladplooi met cocon

Gracillaria syringella on Syringa vulgaris: cocoon

cocon

Gracillaria syringella on Syringa vulgaris: pupa

pop, dorsaal

Gracillaria syringella on Syringa vulgaris: pupa

pop, lateraal

Gracillaria syringella on Syringa vulgaris: pupa

pop, ventraal

Gracillaria syringella on Syringa vulgaris: imago

imago

Gracillaria syringella, mines & cones

Ligustrum ovalifolium: (oude) mijnen en bladrollen, België, Luik, 9.ix.2009 © Jean-Yves Baugnée

Gracillaria syringella mine

Ligustrum ovalifolium, Nieuwendam, 5.ix.2001

Gracillaria syringella: mines on Fraxinus excelsior

Fraxinus excelsior, Flevoland, Reve-Abbertbos, 24.ix.2016 © Hans Jonkman

Gracillaria syringella mine

Fraxinus excelsior, Arnhem, 6.ix.2001

Gracillaria syringella mine

Syringa vulgaris, Castricum, 25.v.2007: het onderzijdig begin van de mijn

Gracillaria syringella mine

zelfde mijn sterker vergroot, om de vliezige restanten van de eischaaltjes te tonen

Gracillaria syringella: mine on Syringa vulgaris

Syringa vulgaris, België, prov. Namen, Couvin, 30.v.2015 © Stéphane Claerebout

Gracillaria syringella: initial galleries

eischaaltjes en twee begingangen, die ditmaal gescheiden van elkaar lopen.

mijn

De mijn begint bij een aantal eischaaltjes die in een rij langs de hoofdnerf liggen. De larven die eruit komen vormen een relatief brede, onopvallende, onderzijdige gangmijn. Tenslotte ontstaat een grote, grijsbruine of groenbruine, zeer ondoorzichtige bovenzijdige blaasmijn met tot tien of meer larven. De mijn doet het blad wel bobbelig worden, maar het blad vouwt zich niet om de mijn, zoals bij Caloptilia cuculipennella. Na verloop van tijd verlaten de larven de mijn en leven, nog steeds in een groep, in een naar beneden omgerold blad.

waardplanten

Oleaceae, oligofaag

Chionanthus virginicus; Forestiera acuminta; Forsythia x intermedia, suspensa, viridissima; Fraxinus americana, angustifolia subsp. oxycarpa, anomala, excelsior, latifolia, nigra, oregona, ornus, quadrangulata, sogdiana; Jasminum nudiflorum; Ligustrum ibota, ovalifolium, vulgare; Osmanthus x burkwoodii; Phillyrea latifolia; Syringa emodi, josikaea, komarowii, x persica, reticulata, tomentella subsp. sweginzowii, vulgaris.

Bij Forsythia blijven de mijnen gangachtig, en als de mijnen 1à 2 cm lang zijn gaan de larven dood (Buhr, 1935b, 1964a).

Minder vaak ook waargenomen op Deutzia, Diervilla lonicera, Euonymus europaeus, verrucosus, Weigela ‘Rosea’. Zoerner (1975a) noemt een merkwaardige waarneming op Magnolia; Kollár (2007a), Robbins (1991a), Szőcs (1977a) en Kollár & Hrubík (2009a) voegen Sambucus nigra, Symphoricarpos en Viburnum toe. In de meeste gevallen gaat het om xenofagie, waarbij de larven niet tot volledige ontwikkeling komen; alleen het grote aantal Caprifoliaceae doet vermoeden hiermee een echte waardplant-relatie kan bestaan.

fenologie

Larven in juni en augustus-september (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenmen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009); zeer gewoon.

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Heel Europa, uitgezonderd het Balkan-schiereiland (Fauna Europaea, 2009).

larve

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a). De pop bevindt zich meestal in de bladrol, in een plooi die afgedekt is door een perkament-achtig vliesje (Tymo Muus, mond. meded.).

synoniemen

Caloptilia, Xanthospilapteryx syringella; Gracillaria anastomosis Haworth, 1928.

opmerkingen

Kan aanzienlijks schade doen in tuinen en in de sierteelt, vooral op seringen.

literatuur

Ahr (1966a), Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Beiger (1979a), Biesenbaum (2010a), SCS Brown (1947a), Buhr (1935a,b, 1937a, 1964a), Buszko (1992b), Csóka (2003a), Deschka & Wimmer (2000a), Deutschmann (2008a), Drăghia (1971a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Fulmek (1910b), Haase (1942a), Hering (1926b, 1930b, 1931-32f, 1932b, 1934c, 1957a), Huber (1969a), Huemer (2012a), Jaworski (2009a), Kasy (1965a), Kiziroglu (1976a), Klimesch (1950c), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kozlov & Kullberg (2010a), Kvičala (1938a), Leutsch (2011a), Lhomme (1934c), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Michalska (1970a, 1972a, 1976a), Nowakowski (1954a), Opheim (1977a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Sefrová (2005a), Skala (1941a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Stolnicu (2007a, 2008a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Tomov & Krusteva (2007a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a, 1975a).

Laatste bewerking 24.viii.2021