Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Parectopa ononidis

Parectopa ononidis (Zeller, 1839)

stalkruidmineermot

Parectopa ononidis: mines on Trifolium pratense

Trifolium pratense, Lauwersoog © Gerrit Tuinstra

Parectopa ononidis: mine on Trifolium pratense

in het veld

Parectopa ononidis: mine on Trifolium repens

Trifolium repens, België, prov. Luik, Tihange © Jean-Yves Baugnée

Parectopa ononidis: mine on Trifolium repens

zelfde mijn, doorvallend licht

Parectopa ononidis mine

Trifolium pratense, Zwitserland; herbarium-materiaal, leg Sifra Corver; links het gat waardoor de larve hat blad is binnengedrongen.

laatste mijn – zo klein dat het wel lijkt of het alleen voor de verpopping gemaakt is.

mijn

De mijn begint als een zeer klein, epidermaal onderzijdig gangetje. Na de eerste vervelling begint de larve bladparenchym te eten. Het eerste resultaat is een gang boven de hoofdnerf. Van hieruit gaan aftakkingen het blaadje in; ze fuseren gaandeweg, zodat uiteindelijk vrijwel het gehele blad is uitgemijnd. Vrijwel alle frass wordt naar buiten gewerkt. De larve kan de mijn verlaten en in een ander blad een nieuwe maken (bovenste foto). Verpopping in de mijn.

waardplanten

Fabaceae, oligofaag

Ononis spinosa & subsp. procurrens; Trifolium medium, montanum, ochroleucon, pratense, repens.

De vermelding van Vinca herbacea door Drăghia (1970a) moet wel op een vergissing berusten.

fenologie

Larven in juli en, overwinterend, september-april (Emmet, Watkinson & Wilson,1985a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa, met uitzondering van Ierland en het Balkanschiereiland (Fauna Europaea, 2009).

larve

Goud- of groengeel.

pop

synoniemen

Euspilapteryx ononidis.

opmerkingen

De mijn kan bedrieglijk lijken op die van Agromyza nana. Bij die soort bevat de mijn echter duidelijke hoeveelheden frass, de mijn is in doorzicht vlekkerig doordat er voldiepe gedeelten zijn, en de mijn als een gang op een willekeurige plek in het bladje, dus gewoonlijk niet bij de hoofdnerf; ook kan de larve van nana geen nieuwe mijn maken.

literatuur

Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Beiger (1955a), Biesenbaum (2010a), Buhr (1935b, 1937a), Buszko (1992b), Buszko & Beshkov (2004a), Deutschmann (2008a), Drăghia (1970a, 1972a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Hering (1924a, 1932g, 1957a), Huber (1969a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2001a), Jaworski (2009a), Kirichenko, Triberti, Mutanen ao (2016a), Klimesch (1950c, 1958c), Maček (1999a), De Prins & Steeman (2013a), Robbins (1991a), van Roosmalen, Wijker & Knijnsberg (2013a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Szőcs (1977a).

Laatste bewerking 19.ix.2018