Parornix alpicola (Wocke, 1877)

mijn

De larve maakt eerst een onderzijdig epidermaal gangetje. Hierna gaat de larve het sponsparenchym, en nog later ook het palissadeparenchym eten; het begingangetje is dan geheel overlopen. De uiteindelijke mijn is voldiep, beslaat een half blad, aan één zijde van de hoofdnerf en is vrijwel vlak. De bovenzijde is oranjebruin gekleurd. Uiteindelijk verlaat de larve de mijn, spint een nieuw blad zo samen dat het vrijwel buisvormig wordt, en eet dit van binnenuit leeg. Eventueel wordt nog een tweede blad zo uitgegeten. Verpopping in een bruinige cocon under een omgeslagen bladrand.

waardplanten

Rosaceae, monofaag

Dryas octopetala.

fenologie

Univoltien; volgroeide (dus niet meer minerende) larven in eind juli – begin augustus (Emmet ea, 1985a).

verspreiding binnen Europa

Alpen, Schotland.

larve

Bleekgroen, kop lichtbruin. Prothoracale plaat bleekgroen met vier dwarse zwartige vlekken (Emmet ea, 1985a).

pop

Beschreven door Patočka, (2001b), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Parornix leucostola Pelham-Clinton, 1964.

literatuur

Baldizzone (2004a), Buhr (1935b), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Hering (1957a), Hoffmann (1893a), Huemer (1988a), Klimesch (1950c), Klimesch & Skala (1936b), Patočka, (2001b), Patočka & Turčáni (2005a), Pelham-Clinton (1967a).

mod 19.ix.2018