Parornix anglicella (Stainton, 1850)

meidoornzebramot

Parornix anglicella mineParornix anglicella mine

Crataegus monogya, Nieuwendam; boven en onderzijde


Crataegus monogya, Ede; de mijn begint bij een iriserend eischaaltje, voortgezet in een onderzijdige epidermaal gangetje

Parornix anglicella: leaf margin folds on Mespilus germanica

Mespilus germanica, België, Luik; © Jean-Yves Baugnée

Parornix cf anglicella: mine on Sorbus latifolia

Sorbus latifolia, België, Luik, Coteaux de la Citadelle – determinatie “cf” © Jean-Yves Baugnée

mijn

De mijn begint bij een vlak, iriserend eischaaltje; aanvankelijk is het een epidermaal gangetje, overgaand in (en meestal overlopen door) een ondiepe, onderzijdige blaasmijn in de top van een bladlob. Bij verse mijnen is de onderepidermis lichtgrijs met kleine lichtbruine vlekjes, maar dit verbruint spoedig. De larve zet spinsel af in de mijn, die samen gaat trekken. De onderpidermis raakt hierdoor opgefrommeld, zonder dat er sprake is van lange plooien. Spoedig gaat de larve vreten van het palissadeparenchym, waardoor het blad ter plaatse aan de bovenzijde verbruint. Frass in losse korrels. Na verloop van tijd verlaat de larve de mijn, en gaat vrij leven onder een naar beneden omgeslagen, met spinsel op zijn plaats gehouden, bladlob. Ook hier wordt het blad aangevreten tot en met het palissadeparenchym, zodat opnieuw verbruining optreedt.

waardplanten

Rosaceae, vrijwel monofaag

Crataegus coccinea, douglasii, flava, heldreichii, x hiemalis, laciniata, laevigata, x lavalleei, mollis, monogyna, “pectinata”, pentagyna, rivularis, spathulata; x Crataemespilus dardari, grandiflora.

Zelden ook Amelanchier ovalis; Fragaria; Mespilus germanica; Sorbus aucuparia, torminalis. Volgens Hering (1957a) in tuinen ook op Cotoneaster.

fenologie

Mijnen zijn gevonden van midden juni tot november. Er zijn twee generaties; in Engeland leven de larven in juli en augustus-september (Emmet ea, 1985a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Vrijwel heel Europa (Fauna Europaea, 2010).

larve

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Ornix anglicella; Parornix fragariae (Stainton, 1874).

literatuur

Ahr (1966a), Bengtsson & Johansson (2011a), Biesenbaum (2010a), Buhr (1935b, 1937a, 1964a), Buszko (1992b), Buszko & Beshkov (2004a), Corley (2005a), Deutschmann (2008a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Haase (1942a), Hellers (2017a), Hering (1921a, 1957a), Huber (1969a), Huemer (1988a, 2012a), Huemer & Erlebach (2003a), Jaworski (2009a), Klimesch (1950c, 1958c), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Lhomme (1934c), Maček (1999a), Nowakowski (1954a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), De Prins & Steeman (2013a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Skala (1941a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Szőcs (1977a, 1981a), Tomov & Krusteva (2007a), Zoerner (1969a, 1970a).

mod 16.ii.2018