Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Parornix carpinella

Parornix carpinella (Frey, 1863)

haagbeukzebramot

op Carpinus

Parornix carpinella mines on Carpinus betulus

Carpinus betulus, Uffelte, Ruiterweg, 5.x.2020 © Ben van As: mijnen en bladvouwen

Parornix carpinella mine on Carpinus betulus

Carpinus betulus, Berkel en Rodenrijs, Ackerdijkse Plassen, 4.x.2003: mijn en bladvouw

Parornix carpinella: leaf fold on Carpinus betulus

Carpinus betulus, België, prov. Namen, Rochefort, 2.x.2013 © Jean-Yves Baugnée

Parornix carpinella: larva

larve

mijn

Kleine hoekig voldiepe blaasmijntje, vaak in een nerf-oksel. Onder-, later ook bovenepidermis bruin. De larve brengt wel wat spinsel in de mijn aan, maar slechts weinig, zodat de mijn vrijwel vlak blijft. Later verlaat de larve de mijn en leeft vrij onder een naar beneden omgeslagen bladrand of bladtop.

waardplanten

Betulaceae (en Sapindaceae?); oligofaag of nauw polyfaag

Acer platanoides, pseudoplatanus; Carpinus betulus, orientalis; Ostrya carpinifolia.

Wanneer deze soort in de literatuur met Acer wordt geassociëerd gebeurt dit onder de naam P. eppelsheimi. Misschien moet de synonymie van eppelsheimi en carpinella worden herbezien.

fenologie

Larven in juli en september-october (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).
NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl).
LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden tot de Pyreneeën, Italië en Griekenland, en van Engeland tot Rusland (Fauna Europaea, 2009).

larve

De larve wordt beschreven door Emmet (1987a) Pronotum met vier zwarte vlekken (Parornix-kenmerk).

pop

Beschreven door Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Ornix carpinella; Ornix, Parornix, eppelsheimi Fuchs, 1901; Emmet, Watkinson & Wilson (1985a) beschouwen carpinella als een synoniem van P. fagivora, maar Emmet is daar later op teruggekomen (1986a).

opmerkingen

Doets (1946a), die de soort voort het eerst uit Nederland vermeldde, vond hem “tamelijk algemeen” bij Hilversum, maar tegenwoordig is het een zeldzaamheid.

literatuur

Ahr (1966a), Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Biesenbaum (2010a), Buhr (1964a), Deutschmann (2008a), Doets (1946a), Emmet (1982a, 1986a, 1987a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Haase (1942a), Hering (1934b, 1957a), Huemer (2012a), Huemer & Erlebach (2003a), Huemer & Mayr (2000a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2004a, 2005a), Jaworski (2009a), Klimesch (1958c), Kuchlein & de Vos (1999a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Nowakowski (1954a), Patočka & Turčáni (2005a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), De Prins & Steeman (2011a, 2014a), van Roosmalen, Wijker & Knijnsberg (2013a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Stolnicu (2007a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Tomov & Krusteva (2007a), Triberti, Deschka & Huemer (1997a), Utech (1962a), Vávra (2016a).

Laatste bewerking 20.v.2021