Triberta helianthemella (Herrich-Schäffer, 1861)

mijn

De mijn begint als een onderzijdig epidermaal gangetje langs een dikke nerf, overgaand in een uiteindeljk zeer doorzichtige vouwmijn. De mijn, die vaak een heel blad kan bestaan, is sterk geplooid. Frass in een losse bal. Heel bijzonder is dat de verpopping niet plaatsvindt binnen de mijn, maar in een transparante cocon erbuiten.

waardplanten

Cistaceae oligofaag

Helianthemum canariense, chamaecistus, nummularium & subsp. obscurum; Tuberaria guttata.

fenologie

Larven in november, december, dan weer in juni (Groschke, 1944a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Duitsland tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Griekenland; ook Canarische Eilanden (Fauna Europaea, 2009).

pop

Beschreven en afgebeeld door Gregor & Patočka (2001a), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Phyllonorycter helianthemella.

opmerkingen

In centraal Europe een soort van uitgesproken warm-droge standplaaten.

literatuur

Corley, Marabuto, Maravalhas, Pires & Cardoso (2008a), Gregor & Patočka (2001a), Hering (1957a), Kasy (1983a, 1897a), Klimesch (1942a, 1979a), A & Z Laštůvka (2011a, 2014a), Nel & Varenne (2014a), Patočka & Turčáni (2005a), Szőcz (1981a).

16/02/2017

mod 6.vii.2019