Cameraria ohridella Deschka & Dimic, 1986
paardenkastanjemineermot

Duitsland, Saarland, Bexbach © Volker Fäßler: rijpe larven

imago

Aesculus hippocastanum, Hongarije, Mosonmagyaróvár, 15.vii.2017 © László Érsek

volgroeide larve

pop
Aesculus hippocastanum, Nieuwendam, 26.viii.2001; een nog bijna gaaf blad

Aesculus hippocastanum, Arnhem, 6.ix.2001; zelfs dit is nog een vrij lichte aantasting
Aesculus hippocastanum, Domburg. 14.viii.2011 © Camiel Doorenweerd: larve in de mijn
Aesculus hippocastanum, Nieuwendam, 21.vi.2004; eischaaltje en begingang. Het ei wordt meestal afgezet in de buurt van een nerf, terwijl de mijn gewoonlijk dikkere nerven niet overschrijdt. Het gevolg is dat ei en begingang meestal niet door de mijn worden overlopen, maar aan de buitenrand ervan blijven liggen.
Aesculus hippocastanum, Nieuwendam, 26.vi.2004; een soortgelijke foto, met doorvallend licht, genomen van een jonge mijn. Het eischaaltje is hier nog niet verdroogd, en bijna glashelder (bij gunstige belichting is er soms een zeshoekige oppervlaktestructuur op te zien).
Aesculus flava, Putten, Schovenhorst, 12.viii.2011: deze soort werd licht aangetast

Acer peudoplatanus, Doorn, Nieuw Sterkenburg, 10.ix.2020 © Ben van As

Acer platanoides, Amerongen, 30.viii.2025 © Ben van As
mijn
De mijn begint met een vlak, ovaal en ietwat iriserend eischaaltje op de bladbovenzijde. Vandaar loopt een epidermaal gangetje van enkele mm, dat plotseling overgaat in een uiteindelijk langgerekte, bovenzijdig blaasmijn, vaak tussen twee zijnerven; de mijn is kaneelkleurig, met een donkergekleurd centrum. De frass is niet korrelig, zoals bij Phyllonorycter-soorten, maar bestaat een teerachtige laag op de bodem van de mijn. Het aantal mijnen kan tot enkele tientallen per blad oplopen. Verpopping in de mijn.
waardplanten
Sapindaceae, oligofaag
Acer platanoides, pseudoplatanus; Aesculus flava, glabra, hippocastanum.
Paardenkastanje is de belangrijkste waardplant. Alleen plaatselijk wordt een populatie aangetroffen op esdoorn, en dan nog alleen als er kastanjes in de buurt staan (zie ook Péré ea, 2010a). Larven op Aesculus x carnea kwamen niet voorbij het eerste stadium (Milevoj, 2004a).
fenologie
Larven van midden mei tot in october. In midden juni kunnen de laagste takken van de bomen al zo zwaar zijn aangetast dat er bladverlies optreedt. Overwintering als pop, in de afgevallen bladeren.
BENELUX
BE eerste waarneming in 2000 (W & J De Prins, 2001a).
NE de eerste waarneming in Nederland dateert van 1998 (Stigter ea, 2000a; van Nieukerken, 2001a).
LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).
verspreiding binnen Europa
Geheel Europa. Deze soort is pas in 1985 in Macedonië voor het eerst waargenomen (de soortnaam verwijst naar het Ohrid-meer). Daarom, een ook omdat het de enige Europese vertegenwoordiger is van het geslacht Cameraria heeft men lang verondersteld dat het om een recente introductie ging vanuit Noord-Amerika, waar dit geslacht met een aantal soorten voorkomt. Tegen die veronderstelling pleitte echter dat ohridella niet uit Noord-Amerika bekend was (Lakatos ea, 2005a). Recent onderzoek (Valade ea, 2009a) heeft nu aangetoond dat ohridella wel degelijk een Europese soort is. Bovendien is op basis van herbarium-materiaal vast komen te staan dat de soort al tenminste sinds 1879 in Europa voorkomt (Lees ea, 2011a).
Sinds zijn ontdekking heeft de soort zich in hoog tempo over vrijwel heel Europa uitgebreid.
larve
pop
cocon
Aesculus hippocastanum, Nieuwendam; beginnende aantasting (voorzomer). De soort vormt een bedreiging voor de vele aangeplante paardenkastanjes in onze streken. De aantasting begint vooral aan de lagere takken. Later in de zomer zijn bij deze bomen ook de hogere delen van de kruin geheel aangetast, en uiteindelijk geheel ontbladerd.
opmerkingen
De bomen op de foto hierboven hebben bijzonder te lijden omdat ze met hun voet in een struweel staan. In het najaar zamelt zich hier veel afgevallen blad op, dat niet kan worden verwijderd en ook niet wegwaait. Omdat de poppen in de mijn, in het afgevallen blad overwinteren is in het voorjaar de aantasting al meteen maximaal.
Verwar deze mijnen niet met de vlekken die veroorzaakt worden door de schimmel Phyllosticta sphaeropsoidea (= Guignardia aesculi); die hebben een veel meer roestrode kleur, vaak met een heldergele zoom, zijn groter en meer onregelmatig van vorm. De sporen van deze schimmel kiemen in het voorjaar op natgeregende bladeren, en de aantasting kan vooral na een regenrijk voorjaar heel sterk zijn.
Zie Freise & Heitland (1999a), Pschorn-Walcher (1994a) en Skuhravy (1999a) voor de biologie van de soort. Heitland, Kopelke & Freise (2003a) geven een samenvatting van de stand van zaken van het onderzoek naar, en de bestrijdingsmogelijkheden van, de kastanjemineermot.
Als de dichtheid van de mijnen zo groot wordt dat ze elkaar gaan raken (en het beschikbare blad dus bijna opgegeten is) gaan de poppen al in rust (diapause), ook als het seizoen nog niet voorbij is. Daardoor kan ohridella een optimaal gebruik maken van de beschikbare hoeveelheid voedsel (Sefrová 2001b; Sefrová & Laštuvka, 2001a).
vervelling
als insectenlarven vervellen gebeurt dat doordat het oude integument dorsaal spijt. Grebennikov ontdekte dat Cameraria hierop een uitzondering vormt. Mogelijk als aanpassing aan de beperkte ruimte die de mijn biedt splijt hier het integument aan een zijkant, waarna de larve met een zijdelingse beweging uit de oude huid kruipt. Maar bij de laatste vervelling, die van larve naar pop en die plaats vindt in een wat ruimere cocon, splijt het integument weer dorsaal!
literatuur
Anagnou–Veroniki, Papaioannou–Souliotis, Karanstasi & Giannopolitis (2008a). Augustin (2005a), Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Braggion (2013a), Buhl, Falck, Jørgensen, ao (2005a), Buszko & Beshkov (2004a), Chowaniec & Larysz (2024a), Corley, Ferreira, Grundy, ao (2018a), Csóka (2001a, 2003a), Deutschmann (2008a), Dietrich (2007a), Diškus & Stonis (2012a), Freise & Heitland (1999a), Gerstberger (2000a), Grabenweger ao (2007a), Grebennikov (2013a), Heitland, Kopelke & Freise (2003a), Hellrigl (2001a), Huemer (2024a), Holzschuh (1995a), Huemer & Erlebach (2003a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2001a, 2004a, 2005a), Ianovici, Matica & Scurtu (2010a), Jaworski (2009a), Johne, Weißbecker & Schütz (2006a), von Kayser & van Loh (2004a), Kenis, Girardoz, Avtzis, ao (2003a), Kirichenko, Augustin & Kenis (2018a), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Lakatos ao (2005a), Lees ao (2011a), Leutsch (2011a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Meijer, Smit, Beukeboom & Schilthuizen (2012a), Milevoj (2004a), Nel, Leraut, Nel & Varenne (2003a), Nel & Varenne (2014a), van Nieukerken (2001a), Olivella & Pagola-Carte (2010a), Parenti & Varalda (2000a), Patočka & Turčáni (20005a), Péré, Augustin, Tomov ao (2010a), Péré, Augustin, Turlings & Kenis (2010a), Plóciennik, Pawlikiewicz & Jaworski (2011a), De Prins (2000a, 2004a). De Prins & De Prins (2001a), De Prins & Puplesiene (2000a), Pröse (1995a), Pschorn-Walcher (1994a), Reichholf (2004a), Roques, Cleary, Matsiakh & Eschem (2017a), Sefrová (2001b, 2005a), Sefrová & Laštuvka (2001a), Sefrová & Skuhravy (2000a), Skuhravy (1999a), Stammer (2016a), Steuer (2002a), Stigter, van Frankenhuyzen & Moraal (2000a), Svensson (2005a), Todorov, Toshova & Tóth (2014a), Tomov & Krusteva (2007a), Ureche (2010a), Valade, Kenis, Hernandez-Lopez ao (2009a), Vives Moreno (2003a), Werner, Irzykowska & Karolewski (2012a), van Wielink (2020a), Wołczańska & Mułenko (2002a), Žikić, Ritt, Colacci, ao (2019a).