Macrosaccus robiniella (Clemens, 1859)

acaciavouwmot

Macrosaccus robiniella: occupied mines on Robinia pseudoacacia

Macrosaccus robiniella, Drachten, 9.ix.2018 © Gerrit Tuinstra

Macrosaccus robiniella: occupied mine on Robinia pseudoacacia

mijn, bovenzijde

Macrosaccus robiniella: occupied mine on Robinia pseudoacacia

zelfde mijn, onderzijde

Macrosaccus robiniella: occupied mine on Robinia pseudoacacia

mijn met twee larven

Macrosaccus robiniella: occupied mine on Robinia pseudoacacia

geopende mijn met twee cocons; een lege pophuid steekt half naar buiten

Macrosaccus robiniella mines

Robinia pseudoacacia, Duitsland, Baden-Württemberg, Baden-Weiler, 29.ix.2001

Macrosaccus robiniella cocoons

Robinia pseudoacacia, Pietersberg, 12.vii.2005; geopende mijn met twee cocons

mijn

Onderzijdige, witte, aanvankelijk vlakke, later matig sterk samengetrokken, zeer kwetsbare vouwmijn; bovenzijde groenig-wit, centrum als bestrooid met grofgemalen peper. Zeer kenmerkend is dat, door versmelten van mijnen, verscheidene larven in één mijn op kunnen treden (meestal 2, maar tot 15 toe!). De mijn overschrijdt nooit de hoofdnerf. Poppen elk in een sneeuwwitte, vlakke, ovale, cocon, die met een groot aantal spinsel-draadjes rondom bevestigd is aan het plafond van de mijn. Frasskorrels heel fijn, niet geïncorporeerd in de cocon, evenmin in een prop, maar door de hele mijn verstrooid.

waardplanten

Fabaceae, monofaag

Robinia hispida, neomexicana, pseudacacia.

Sefrová (2005a) vond, weliswaar in een botanische tuin, de soort ook op Laburnum anagyroides.

fenologie

Mijnen van juni tot october (Csóka, 2003a).

verspreiding binnen Europa

BE sinds 2001 uit België bekend (De Prins & Groenen, 2001a).

NE in 1998 voor het eerst in Nederland gevonden (Huisman ea, 2003a).

LUX waargenomen (Schneider & Walisch, 2009a).

Van Denemarken tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Roemenië, en van Frankrijk tot de Ukraïne (Fauna Europaea, 2010).

larve

Beschreven door Davis & De Prins (2011a) en Sefrová (2000b).

pop

synoniemen

Phyllonorycter robiniella.

opmerkingen

Noord-Amerikaanse soort, die in Europa rond 1970 voor het eerst opdook in Noord-Italië (Whitebread, 1990a). Volwassen dieren in groot aantal overwinterend aangetroffen in een nestkast (Rietschel, 1997a). Het aantal generaties per jaar varieert tussen 3 en 4 (Nicolai, 2010a).

literatuur

Bengtsson & Johansson (2011a), Bolchi Serini & Trematerra (1989a), Csóka (2001a, 2003a), Davis & De Prins (2011a), Deschka (2014a), Deutschmann (2008a), Flügel (2011a, 2016a), Gregor & Patočka (2001a), Huemer (2012a), Huemer & Erlebach (2003a), Huemer ao (1992a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2003a), Ivinskis & Rimsaite (2008a), Jaworski (2009a), Kirichenko, Augustin & Kenis (2018a), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kovács, Kovács & Szabóky (2006a), Kuchlein, Kuchlein-Nijsten & De Prins (2002a), ME & MA Kurz (2007a), Leutsch (2011a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Melika ao (2006a), Nel & Varenne (2014a), Nicolai (2005a, 2010a), Noreika (2008a), Olivella (2005a), Parenti & Varalda (2000a), Patočka Turčáni (2005a), Plóciennik, Pawlikiewicz & Jaworski (2011a), De Prins (2007a), De Prins, De Prins & De Coninck (2003a), De Prins & Groenen (2001a), De Prins & Steeman (2011a), De Prins, Steeman & Sierens (2015a), Rietschel (1997a), Schneider & Walisch (2009a), Sefrová (2002b, 2003a, 2005a), Stammer (2016a), Stolnicu (2007a), Tomov & Krusteva (2007a), Ureche (2006a, 2010a), Whitebread (1990a), Wipking (1991a).

mod 22.iii.2019