10674
Phyllonorycter pastorella op Salix babylonica (Amsterdam)

Phyllonorycter-mijnen zijn alleen met zekerheid te determineren als de mijn een pop of exuvium bevat. Bij veel (alle?) soorten werkt de pop zich, kort voordat deze aan uitkomen toe is, via een gat in de epidermis half uit de mijn. Na het uitkomen van de vlinder blijft de lege pophuid uit de mijn steken (fig.). Als die met een pincet voorzichtig uit de mijn wordt getrokken, zodat het cremaster niet beschadigd wordt, is hij nog bruikbaarder dan een verse pop: voorzichtig opkoken in een paar druppels water is hij prachtig transparant.

Binnen de mijn is de pop omgeven door een uit spinsel vervaardigde cocon. Deze kan zo ijl zijn dat hij vrijwel onherkenbaar is, maar ook zo dicht en taai als perkament. De cocon is, afhankelijk van de soort, vastgesponnen aan de onder- en/of bovenzijde van de mijn. De frass die zich in de mijn bevindt kan in de wand van de cocon zijn opgenomen; bij andere soorten bevindt de frass zich in een klomp in een hoek van de mijn.

De meeste soorten hebben, in elk geval in gematigde streken, twee generaties en overwinteren als pop in de cocoon. Het beeld van de cocoon in het voorjaar en die in het najaar kan flink verschillen.

mod 21.viii.2018