Phyllonorycter belotella (Staudinger, 1859)

Phyllonorycter joviella minePhyllonorycter belotella mine

Quercus coccifera, Griekenland, Lesbos, Kalimvátera

Phyllonorycter belotella mine

Quercus ilex, bovenzijde; uit A & Z Laštuvka (2007a)

mijn

Bovenzijdige epidermale, zilverige, blaasmijn zonder plooien. Frass deels als losse verspreide korrels, deels ook als als een centrale donkerbruine teerachtige vlek in het dak van de mijn. Verpopping in de mijn in een duidelijke cocon.

waardplanten

Fagaceae, nauw monofaag

Quercus coccifera, ilex, rotundifolia, suber.

De genoemde waardplanten zijn wintergroene eiken. Het voorkomen op de bladverliezende Q. robur en rubra (Maček, 1999a) is niet waarschijnlijk.

fenologie

Larven in november-maart en april-mei (Hering, 1957a).

verspreiding binnen Europa

Middellandse Zee-gebied van Iberië tot Griekenland (Fauna Europaea, 2009).

larve

Larve van het tweede stadium met een gepaarde, driehoekige vlek op tergiet 2, een een ongepaarde, brede, vlek op tergiet 3, een een compacte mediane vlek op abd 1-8 dorsaal. Voor de chaetotaxie zie Klimesch (1943a).

pop

synoniemen

Phyllonorycter joviella (Constant, 1890); Ph. anatolica (Deschka, 1970).

literatuur

Buhr (1930a), Deschka (1970b, 2014a), Hering (1932e [“ioviella”], 1934a, 1936b, 1957a, 1967a), Klimesch (1943a, 1956c), Klimesch & Skala (1936b), A & Z Laštuvka (2007a, 2014a), Maček (1999a), Nel & Varenne (2014a), Olivella (2002a), Soffner (1942a).

mod 8.iii.2019