Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phyllonorycter dubitella

Phyllonorycter dubitella (Herrich-Schäffer, 1855)

boswilgvouwmot

mijn

Vrij grote, onderzijdige vouwmijn, meestal tussen twee zijnerven; de bovenzijde is tamelijk sterk opgebold; de onderzijde heeft veel smalle plooitjes, die lastig te zien zijn door de behaarde onderkant van de bladeren. De lichtbruine pop ligt in een stevige goudkleurige cocon. De frass ligt in een klomp in een hoek van de mijn. In de mijn, cocon of pop zijn geen verschillen te zien met Ph. hilarella (Gregor & Patočka, 2001a).

waardplanten

Salicaceae, monofaag

Salix appendiculata, aurita, caprea, cinerea.

fenologie

Larven in juli en september-october (Emmet ea, 1985a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia en Noord-Rusland tot de Pyreneeën, Italië en Bulgarije, en van Engeland tot de Ukraine (Fauna Europaea, 2010).

pop

Beschreven door Gregor & Patočka (2001a) en Patočka & Turčáni (2005a). Cremaster groot, ongeveer vierkant, met één paar stevige, naar buiten gebogen doorns.

synoniemen

Lithocolletis dubitella.

parasitoïden, predatoren

Sympiesis sericeicornis.

literatuur

Bengtsson & Johansson (2011a), Bouček (1959a), Buhr (1937a), Buszko (1992b), Davis & Deschka (2001a), Deschka (2014a), Deutsch (2012a), Deutschmann (2008a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Gegor & Patočka (2001a), Hartig (1939a), Huemer (1986b), Hering (1957a), Jaworski (2009a), Klimesch (1958c), Kuchlein & Donnner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Langohr (1984a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Nel & Varenne (2014a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Sønderup (1949a), Steeman & Sierens (2020a), Szőcs (1977a, 1978a), Tourlan (1980a).

Laatste bewerking 29.v.2022