Phyllonorycter messaniella (Zeller, 1846)

veelvraatvouwmot

Phyllonorycter messaniella: mine on Castanea sativa

Castanea sativa, België, prov. Antwerpen, Retie, Prinsenpark © Carina Van Steenwinkel

Phyllonorycter messaniella: mine on Castanea sativa

mijn met uitgekomen pop

Phyllonorycter messaniella: frass pattern

frass-patroon

Phyllonorycter messaniella mine

Quercus x hispanica, Amsterdam-Oost; de meeste mijnen bevinden zich in de onderste bladhelft

Phyllonorycter messaniella mine

een jonge en een volgroeide mijn

Phyllonorycter messaniella mine

de rechter van de twee hierboven, doorvallend licht (geen larve of pop te zien: de mijn bevatte een witte parasitoid-cocon).

Phyllonorycter messaniella mine

pop in de mijn

Phyllonorycter messaniella mine

zelfde mijn, geopend

mijn

Kleine ovale onderzijdige vouwmijn, 9-14 mm lang, tussen twee zijnerven. De onderepidermis heeft één scherpe plooi (soms bij het eind gegaffeld). De pop ligt in een zeer ijle cocon, die aan de zijden en de achterkant een beetje frass bevat.

waardplanten

Polyfaag op houtige gewassen.

Carpinus betulus; Castanea sativa; Fagus sylvatica; Prunus; Quercus x hispanica, ilex, petraea, robur, suber; Tilia cordata.

Quercus-soorten vormen de belangrijkste waardplanten.

fenologie

Larven in juli en october (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a), maar soms nog een wintergeneratie (zie de opmerking hieronder).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Europa ten zuiden van de lijn Ierland, Engeland, Denemarken, Ukraïne; ook de Macaronesische Eilanden (Fauna Europaea, 2009).

larve

pop

synoniemen

Lithocolletis messaniella.

opmerkingen

In Engeland wordt een derde larvengeneratie waargenomen in de periode december-maart; deze overwinterende larven zijn alleen gevonden in mijnen op Quercus ilex, die ‘swinters zijn blad niet verliest. Hoe de soort overwintert in gebieden waar Q. ilex niet voorkomt is niet duidelijk (Emmet, 1975b).

De hier afgebeelde mijnen stammen uit een soortgelijke wintergeneratie; Q. x turneri is een bastaard van Q. ilex en Q. robur, en behoudt ‘s winters zijn blad. Jonge mijnen, met actieve larven, werden op 20 januari verzameld, in een onverwarmde kamer bewaard, en leverden een maand later poppen.

Gregor & Patočka (2001a) schrijven dat de cocon van de wintergeneratie bijna geheel met frass is bedekt. Dat geldt niet voor het Nederlandse materiaal.

De soort is geïntroduceerd in Nieuw Zeeland en Australië, en heeft zich daar ontpopt als bijzonder invasief. De soort leeft daar niet alleen op eiken, maar ook op onder meer Nothofagus en wordt als een plaag ervaren (New, 1981a).

literatuur

Aguiar & Karsholt (2006a), Amsel & Hering (1933a), Baldizzone (2004a), Bengtsson & Johansson (2011a), Braggion (2013a), Buhr (1930a), Corley (2005a), Deutschmann (2008a), Emmet (1975b), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Gregor & Patočka (2001a), Harper & Langmaid (1978a), Hartig (1939a), Hering (1927a, 1932e,g, 1934a, 1936b, 1957a, 1967a), Hubble (2013b), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2003a), Kirichenko, Augustin & Kenis (2018a), Klimesch (1950c, 1979a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), A & Z Laštuvka (2007a, 2014a), Nel & Varenne (2014a), New (1981a), van Nieukerken, Gielis, Huisman ao (1993a), Olivella (2002a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Stolnicu (2007a, 2008a), Szőcs (1977a), Tomov & Dimitrov (2007a), Tourlan (1980a), Triberti & Braggio (2011a), Ureche (2010a).

mod 8.iii.2019