Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phyllonorycter nigrescentella

Phyllonorycter nigrescentella (Logan, 1851)

Phyllonorycter nigrescentella: mines on Vicia sepium

Vicia sepium, België, prov. Namen, Furfooz, Parc National de Furfooz © Stéphane Claerebout

Phyllonorycter nigrescentella: mine, underside

onderzijde van de mijn

Phyllonorycter nigrescentella mine

Vicia sepium, België, prov. Namen, Dinant; © Jean-Yves Baugnée

Phyllonorycter nigrescentella: mine on Vicia sepium

ander exemplaar

Phyllonorycter nigrescentella: mine on Vicia sepium

onderzijde daarvan

Phyllonorycter nigrescentella mine

Lathyrus pratensis, Luxemburg, Dudelange, Haerdt

larve in geopende mijn; bovenzijde van de mijn

mijn

Onderzijdige vouwmijn die een heel blaadje beslaat; onderepidermis sterk geplooid. Volgroeide mijnen zijn sterk opgelbazen, en het blaadje is zo sterk om de mijn gevouwen dat deze bijna onzichtbaar wordt. In dit stadium heeft de larve ook alle parenchym boven de mijn opgevreten, zodat de mijn van boven wit is, en daardoor zeer opvallend. Pop in ijle cocon, die samenvalt met de wanden van de mijn.

waardplanten

Fabaceae, oligofaag

Lathyrus vernus; Lotus; Medicago; Trifolium alpestre, medium, pratense, repens, rubens; Vicia dumetorum, sativa, sepium.

Voorkeur voor Vicia sepium (Hering, 1957a).

fenologie

Larven in juli en augustus-september (Emmet, Watkinson & Wilson, 1985a) In Engeland zijn echter ook volgroeide larven gevonden in november, december en januari (Bond, 2000a; Henwood, 1999a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Europa, uitgezonderd het Balkan-Schiereiland (Fauna Europaea, 2009).

pop

Het cremaster heeft twee paar doorns; het binnenste paar is zover naar buiten opgeschoven dat binnenste en buitenste doorns één geheel lijken. De binnenste doorn is matig slank, de buitenste stevig, en het geheel lijkt één lange, aan de basis brede doorn (Gregor & Patočka, 2001a; Patočka & Turčáni, 2005a).

synoniemen

Lithocolletis nigrescentella.

parasitoïden, predatoren

Achrysocharoides nigricoxae; Elachertus inunctus.

opmerkingen

Voorkeur voor planten die overgroeid zijn door gras, of in de schaduw groeien (Emmet ea, 1985a).

literatuur

Beiger (1955a, 1960a), Bengtsson & Johansson (2011a), Bond (2000a_, Buhr (1936a), Buszko (1992b), Buszko & Beshkov (2004a), Deschka (1968a), Deutsch (2012a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Gregor & Patočka (2001a), Hartig (1939a), Henwood, 1999a, Hering (1924b, 1957a), Huber (1969a), Huisman ao (2004a), Klimesch (1958c), Maček (1999a), Michna (1975a), Nel & Varenne (2014a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Starý (1930a), Steeman & Sierens (2019a), Steurer (1988a), Szőcs (1977a, 1978a), Watkinson (1975a), Yefremova & Kravchenko (2015a).

Laatste bewerking 30.vi.2022