Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phyllocnistis saligna

Phyllocnistis saligna (Zeller, 1839)

wilgenslakkenspoormot

Phyllocnistis saligna mine

Salix alba, Nieuwendam

Phyllocnistis saligna mine

detail

Phyllocnistis saligna: mine on Salix pentandra

Salix pentandra, Holy-Noord, Wijkerpark © Ben van As

Salix alba, Middelburg: een groot deel van zijn leven brengt de larve door als schorsmineerder op jonge scheuten © Camiel Doorenweerd

mijn

Zeer lange zuiver epidermale, gang, zowel boven- als onderzijdig. De mijnen bevinden zich in de bladeren aan het eind van jonge scheuten. De mijn gaat via de epidermis van de scheut van het ene blad naar het ander. Er is een brede, wazige centrale frasslijn. De gang eindigt bij een bladrand, waar de verpopping plaats vindt, onder een omgeslagen deel van de rand, zonder duidelijke cocon.

waardplanten

Salicaceae, monofaag

Salix alba, babylonica, daphnoides, x fragilis, lanata, purpurea, x salamonii, triandra, viminalis.

In Nederland is S. alba verreweg de belangrijkste waardplant. Dat is klaarblijkelijk geen universele regel. Emmet ea (1985a) beschrijven purpurea als belangrijkste waardplant, en noemen alba niet eens. Voor Hering (1957a) is purpurea de waardplant bij uitstek.

Door Ben van As ook waargenomen op Salix pentandra.

Eénmaal door Kasy (1965a) gevonden op S. caprea (verpopping aan de bladbasis); geïnterpreteerd als xenofagie.

Volgens Delplanque (1998a) ook regelmatig op Populus alba: verwarring met Phyllocnistis xenia

fenologie

Larven in juni-juli en augustus-september (Emmet ea, 1985a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Waarschijnlijk vrijwel heel Europa, maar ontbreekt in Ierland, mogelijk ook in delen van het Balkan-Schiereiland (Fauna Europaea, 2009).

larve

Beschreven door Lüders (1900) en Grandi (1931a, 1933a).

pop

opmerkingen

De soort breidt zich uit. Huisman & Koster (1999a) noemden hem nog vrij schaars, maar Huisman ea (2001a) schrijven al over waarnemingen in stedelijke omgeving. Momenteel is het een van de talrijkste mineerders in Nederland. Soortgelijke geluiden komen uit België (Phegea, 2009) en Engeland (Langmaid & Young, 2009a).

Waar wilgen commercieel, in monoculture worden gekweekt kan Ph. saligna zich ontwikkelen tot een serieuze plaag (zie bijv. Noreika & Smaliukas, 2005a).

literatuur

Amsel & Hering (1931a), Barton (2015a), Bengtsson & Johansson (2011a), Buhr (1937a, 1964a), Buszko (1981a, 1992b), Buszko & Beshkov (2004a), Corley, Rosete, Marabuto ao (2014a), Csóka (2003a), Delplanque (1998a), Deutschmann (2008a), Drăghia (1967a, 1970a, 1971a, 1974a), Emmet, Watkinson & Wilson (1985a), Grandi (1931a, 1933a), Hering (1932b, 1957a), Huber (1969a), Huemer (1986b), Huemer & Erlebach (2003a), Huisman & Koster (1999a), Huisman, Koster, Muus & van Nieukerken (2013a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ellis (2009a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2001a), Jaworski (2009a), Kasy (1965a), Klimesch (1950c, 1957a), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Langmaid & Corley (2007a), Langmaid & Young (2009a), A & Z Laštůvka (2014a), Lüders (1900), Martynova (1955a), Noreika & Smaliukas (2005a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), Patočka (2001a), Patočka & Turčáni (2005a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins & Steeman (2013a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Skala (1951a), Sobczyk (2019a), Sønderup (1949a) Stammer (2016a), Starý (1930a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Thomann (1956a).

Laatste bewerking 13.i.2021