Acrolepiopsis tauricella (Staudinger, 1870)

Lepidoptera, Glyphipterigidae

mijn

De jonge larve maakt een of twee zeer kleine, voldiepe blaasmijntjes waaruit bijna alle frass wordt verwijderd via een gaatje in een hoek van de mijn. Als de larva ca 5 mm lang is gaat hij vrij leven aan de onderzijde van het blad (keert tijdens eetpauzes nog enige tijd naar de mijn terug) en veroorzaakt dan venstervraat of, ingeval het blad dunner is, skeletvraat. Vaak zoveel mijnen in een blad dat het er doorzeefd uitziet.

waardplanten

Dioscoreaceae; monofaag

Dioscorea communis.

verspreiding binnen Europa

Zwitserland, Italië, Hongarijë, Ukraïne (Fauna Europaea, 2009).

larve

Kop en lichaam bleek geelgroen, borstpoten grijsbruin, pinacula zwart.

pop

Lichtbruin tot zwartig; verpopping in een netvormige bruine cocon.

synoniemen

Acrolepia karolyii Szőcs, 1969a.

literatuur

Baldizzone & Triberti (1978a), Baldizzone, Varalda & Donato (2010a), Gaedike (1972a), Szőcs (1969a, 1977a).

23/11/2014

mod 28.vi.2017