Lyonetia clerkella (Linnaeus, 1758)

hangmatmot

7599

Prunus avium, Duitsland, Badenweiler

7599

detail: larvekamer

17590_2

Betula pendula, Hilversum: verlaten larvekamer

Lyonetia clerkella: mines on Crataegus monogyna

Crataegus monogyna, Zwijdrecht © Kris Peeters-Heyman

Lyonetia clerkella: mine on Amelanchier lamarckii

Amelanchier lamarckii, Zwijndrecht © Kris Peeters-Heyman: omdat het blad van Amelanchier zo dun is, is het geen aantrekkelijke waardplant.

-196

Prunus cerasus, België: Berchem © Chris Snyers: cocon in hangmatje

18266

Sorbus spec., Amsterdam: ovipositie-litteken

Lyonetia clerkella: old vacated mine on Prunus serotina

Prunus serotina, lg Welna, 18.vii.2018 © Hans Jonkman. Oude, verlaten mijn; ongewoon: meestal sterft de larve op deze waardplant voortijdig.

Lyonetia clerkella: vacated mine on Prunus laurocerasus

Prunus laurocerasus, Berg en Dal, 13.viii.2018 © Ben van As: verlaten mijn, de larve heeft zijn ontwikkeling met succes voltooid. Had in een geval als dit de larve een ongewoon grote resistentie tegen blauwzuur, of produceerde de plant ongewoon weinig blauwzuur?

mijn

Ovipositie middels een legboor, zodat er klein ovipositie-litteken ontstaat maar er geen eischaaltje zichtbaar is. Van daar loopt een lange tot zeer lange, slanke, voldiepe mijn die geen associatie met nerven of bladrand heeft. De hoofdnerf wordt probleemloos overschreden; ook oversnijdt de mijn vaak zichzelf, waarna afgesnoerde delen van het blad meestal afsterven. Frass in een dunne mediane lijn. De larve verlaat de mijn voor de verpopping aan de bladbovenzijde. De pop wordt vrij in een spinsel opgehangen in een poppenwieg.

De larve is ongewoon slank; daardoor is het frass-vrije deel van de mijn na het verlaten van de mijn veel langer dan bij Stigmella-mijnen (> 3 x zo lang als breed).

waardplanten

Betulaceae, Rosaceae, nauw polyfaag

Amelanchier lamarckii; Betula pendula, pubescens; Chaenomeles japonica; Cotoneaster glaucophyllus, integerrimus, salicifolius; Crataegus coccinea, crus-galli, laevigata, mollis, monogyna; Cydonia oblonga; Malus baccata, domestica, fusca, sylvestris; Mespilus germanica; Prunus armeniaca, avium, cerasifera, cerasus, domestica & subsp. insititia, glandulosa, laurocerasus, mahaleb, mume, padus, pensylvanica, persica, “pseudocerasus”, serotina, serrulata, spinosa, subhirtella, triloba; Pyracantha coccinea; Pyrus communis; Sorbus aria, aucuparia, domestica, intermedia.

Mijnen op Prunus serotina zijn meestal, op P. laurocarasus wel altijd, abortief.

Mogelijk deels wegens zijn talrijkheid zijn er nogal wat waarnemingen van xenophagie: Humulus lupulus en Salix caprea, fragilis (Klimesch, 1957a; Huber, 1969a; Borkowski, 2003a); Castanea sativa en Ribes (Hering, 1957a); Quercus (Robbins, 1991a); Rhamnus catharticus (Ellis, 2001a).

fenologie

Mijnen worden gevonden van mei tot november.

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2007).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Ellis).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa (Fauna Europaea, 2007).

larve

pop

Beschreven door Patočka (1997a, 2000a), Patočka & Turčáni (2005a).

opmerkingen

Gewoonlijk zeer talrijk, maar de aantallen kunnen van jaar tot jaar sterk uiteenlopen. Soms schadelijk in de fruitteelt.

In tegenstelling tot bij de meeste vlindermijnen worden de frasskorrels niet aan plafond of bodem geplakt, maar ligt als losse korrels in de gang.

literatuur

Ahr (1966a), Amsel & Hering (1931a, 1933a), Baggiolini (1960a), Baldizzone (2004a), Baryshnikova (2007a), Beiger (1979a), Bengtsson & Johansson (2011a), Borkowski (2003a), Buhr (1935a,b, 1936a, 1937a, 1964a), Buszko (1981a, 1992b), Buszko & Beshkov (2004a), Diškus & Stonis (2012a), Drăghia (1972a), van Frankenhuyzen (1969a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1921a, 1926b, 1927b, 1957a, 1961a), Huber (1969a), Huemer (1988a, 2012a), Huemer & Erlebach (2003a), Kasy (1983a, 1987a), Klimesch (1950c, 1957a, 1958c), Klimesch & Skala (1936b), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), ME & MA Kurz (2007a), Kvičala (1938a), Leutsch (2011a), Lhomme (1934b,c), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Michna (1975a), Nowakowski (1954a), Olivella (2002a), Patočka (1997a, 2000a), Patočka & Turčáni (2005a), Quantz (1927a), Robbins (1991a), Sefrová (2005a), Seven (2006a), Skala (1941a, 1951a), Skala & Zavřel (1945a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Sønderup (1949a), Szőcs (1977a, 1978a, 1981a), Wegner (2010a).

mod 10.vii.2019