Lyonetia prunifoliella (Hübner, 1796)

sleedoornhangmatmot

Lyonetia prunifoliella mines

Prunus spinosa, België, prov. Luxemburg, Resteigne, Pairées © Jean-Yves Baugnée

Lyonetia prunifoliella mines

Prunus spinosa, IJzevoorde

Lyonetia prunifoliella mines

andere mijn van dezelfde plant

Lyonetia prunifoliella: occupied mines on Prunus spinosa

Prunus spinosa, België, prov. Namen, Chimay (Momignies): bezette mijnen © Stéphane Claerebout

Lyonetia prunifoliella mines

Malus sylvestris, België, prov. Luxemburg, Resteigne, Pairées © Jean-Yves Baugnée

Lyonetia prunifoliella cocoons

Twee cocons, op voor Lyonetia‘s kenmerkende wijze aan spandraden opgehangen aan de onderzijde van het blad

mijn

Eieren worden afgezet in (niet: op) de onderzijde van het blad, niet bij de rand, vaak een aantal per blad. Rond de ovipositieplek vormt zich een holte, die later vaak een gat in het blad achterlaat. Dan een smalle, zich nauwelijks verwijdende slingerende gang, grotendeels gevuld met een brede roodbruine frasslijn. De gang gaat plotseling over in een brede, voldiepe blaas, die meestal aan de bladrand ligt. De larve kan een mijn verlaten, en elders, eventueel op een ander blad, verdergaan. Ook de eerste blaas kan al in ander blad liggen. Frass verspreid, in ovale korrels. De meeste frass wordt naar buiten gewerkt door boogvormige sneden langs de buitenrand van de blaas, en blijft vaak in strengen in spinseldraden onder het blad hangen.

waardplanten

Betulaceae, Rosaceae; nauw polyfaag op houtige gewassen

Betula pendula, pubescens; Chaenomeles japonica; Cotoneaster integerrimus; Crategus monogyna; Cydonia oblonga; Mespilus germanica; Prunus armeniaca, cerasifera, dulcis, mahaleb, persica, spinosa; Pyrus communis; Sorbus.

In Noord-Amerika schadelijk op Malus domestica.

fenologie

Larven in juli en september-october (Hering, 1957a) maar in Nederland dode (geparasiteerde) larven in eind augustus.

BENELUX

BE waargenomen (De Prins, 2003a).

NE waargenomen (Ellis & Zwier, 2004a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2009), maar zeker aanwezig.

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa, uitgezonderd Ierland en de Middellandse Zee-eilanden (Fauna Europaea, 2009); Iberia (Laštůvka & Laštůvka, 2015a). In Engeland na 1900 lang niet meer waargenomen (Emmet, 1985a), maar wordt daar nu af en toe weer gevonden (Kitchener, 2010a).

larve

pop

In een groenige cocon die bevestigd is aan enkele gespannen draden onder een blad. Zie Patočka (2000a), Patočka & Turčáni (2005a), voor een beschrijving van de pop.

synoniemen

Lyonetia speculella Clemens, 1862.

opmerkingen

In tegenstelling tot wat bij mineerders bijna vaste regel is, bevinden de mijnen zich in de allerjongste bladeren.

literatuur

Baryshnikova (2007a), Bengtsson & Johansson (2011a), Borkowski (2003a), Buhr (1935a, 1964a), Buszko (1981a, 1992b), Ellis & Zwier (2004a), Emmet (1985a), Grandi (1931a, 1933a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1930b, 1957a, 1961a), Huber (1969a), Huisman ao (2009a), Kitchener (2010a), Klimesch & Skala (1936b), Kuroko (1964a), Laštůvka & Laštůvka (2015a), Maček (1999a), Patočka (2000a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (2003a), Robbins (1991a), Schmitt, Brown & Davis (1996a), Seven (2006a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Starý (1930a), Stolnicu (2007a, 2008a), Szőcs (1977a), Ureche (2010a).

mod 9.i.2019