Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phyllobrostis hartmanni

Phyllobrostis hartmanni Staudinger, 1867

op Daphne

mijn

Het ei wordt afgezet in het bladweefsel. De mijn begint als een fijn gangetje, vaak langs de bladrand; vervolgens ontstaat een grote, ietwat bolle, voldiepe, blaas die zich vanuit de bladtop uitbreidt en het hele blad kan gaan innemen. De mijn bevat veel zwarte frass die aan de boven-epidermis wordt geplakt, waardoor de mijn een zwartig uiterlijk krijgt; alleen de zijden blijven vrij, en zijn transparant. Verpopping buiten de mijn; de larve maakt om de mijn te verlaten een snede in de bladrand, dichtbij de voet van het blad.

waardplanten

Thymelaeaceae, monofaag

Daphne alpina, cneorum, striata.

fenologie

Larven van maart tot mei (Hering, 1957a).

phenology

Larvae from march till May (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Duitsland tot Italië, en van Frankrijk tot Slowakije (Mey, 2006a; Fauna Europaea, 2009).

larve

Beschreven door Staudinger (1867a) en (Mey, 2006a): barnsteengeel met bruine kop; twee zwartbruine vlekken op het pronotum. Lichaam kort, dicht behaard, met “haartjes” die 1/6e zijn van de normale setae.

pop

Beschreven door Patočka (1997a, 2000a), Patočka & Turčáni (2005a).

opmerkingen

Huemer (1986b) vond jonge mijnen massaal op Daphne striata, onmiddellijk na het verdwijnen van de sneeuw, op een hoogte van 1750-2250 m.

literatuur

Amsel & Hering (1933a), Arbeitsgemeinschaft Microlepidoptera in Bayern (2013a), Baryshnikova (2007a), Buszko (1981a), Buvat & Nel (1999a), Hering (1924b, 1957a), Huemer (1986b), Klimesch (1950c, 1957a), Liška ao (2000a), Mey (2006a), Patočka (1997a, 2000a), Patočka & Turčáni (2005a), Staudinger (1867a), Szőcs (1977a).

Laatste bewerking 25.i.2020