Argyresthia aurulentella Stainton, 1849

gestreepte pedaalmot

mijn

De larve boort zich in een naald in en vreet die vervolgens geheel of gedeeltelijk leeg. Het gaatje waardoor hij naar binnen is gekomen wordt met spinsel dichtgemaakt. De larve verlaat de naald via hetzelfde, of een nieuw gaatje in de epidermis, en herhaalt deze procedure een aantal malen. De mijnen bevatten vrijwel geen frass. Verpopping in de grond, in een wittige netvormige cocon.

waardplanten

Cupressaceae, monofaag

Juniperus communis.

fenologie

Larven in maart-april (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia en de Baltische Staten tot de Pyreneeën, Sardinië, Italië en Macedonië, en van Engeland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2010).

larve

Lichaam vuilgroen, aan het einde roodachtig; kop glanzend zwart, prothoracale en anale plaat zwartbruin met olijfbruin centrum.

pop

Zie Patočka (1998a), Patočka & Turčáni (2005a).

literatuur

Agassiz (1996a), Bengtsson & Johansson (2011a), Buhr (1935b), Friese (1969a), Hering (1957a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2003a), Kozlov & Kullberg (2010a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Patočka (1998a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Stigter & van Frankenhuyzen (1992a), Szőcs (1977a).

mod 20.iii.2019