Paraswammerdamia albicapitella (Scharfenberg, 1805)

witkraagduifmot

Paraswammerdamia albicapitella: mines on Prunus spinosa

Prunus spinosa, België, prov. Luxemburg, Durbuy, de Steenfabriek van Rome © Steve Wullaert

mijn

De larven maken in het najaar een klein, voldiep gangmijntje. Ze overwinteren in een hibernaculum buiten de mijn, en leven daarna vrij in een spinsel.

waardplanten

Rosaceae, monofaag

Prunus spinosa.

Also Crataegus monogyna (De Prins ea).

fenologie

Minerende larven in september (Agassiz, 1996a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Griekenland, en van Ierland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2010).

vrijevende larve

Lichaam slank, roodbruin; kop lichtbruin; prothoracale plaat donkerbruin. Opzij is er een hagelwitte, brede, maar naar achteren snel smaller wordende, lengtelijn op de thorax en de voorste abdomen-segmenten. Een soortgelijk dorsaal lijntje, maar smaller en korter, begint achter de kop.

pop

Zie Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Paraswammerdamia spiniella (Hübner, 1807).

literatuur

Agassiz (1996a), Bengtsson & Johansson (2011a), Buhr (1957a, “Bucculatrix spec.”), Emmet (1976a), Huemer (1988a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2004a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Landry ao (2013a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), De Prins, Steeman & Sierens (2016a), Robbins (1991a), Wieser & Huemer (1997a).

mod 5.viii.2019