Prays peregrina Agassiz, 2007

mijn

de mijn begint bij een onderzijdig transparant eischaaltje (het wordt niet met frass gevuld), ± in het centrum van het blad. De jonge larve maakt een zeer onregelmatige en ondiepe gangachtige bovenzijdige mijn. Na de eerste vervelling word de mijn verlaten via een opening in de bovenepidermis. Hierna worden 2 – 3 bladen steeds vollediger, en tenslotte voldiep, uitgemijnd, waarbij de larva allen met het voorste deel van het lichaam in de mijn steekt. In het laatste stadium leeft de larve geheel vrij, en verpopt zich tussen samengesponnen bladeren.

waardplanten

Rutaceae, monofaag

Ruta chalepensis.

fenologie

Minerende larven werden eind October waargenomen. Mogelijk betrof dit een tweede generatie.

opmerkingen

De soort werd in 2007 door Agassiz beschreven op basis van vlinders die waren aangetroffen in groot-London; het betrof met zekerheid een exoot. De herkomst was uiteraard onbekend. Bijna tien jaar later werden door Colin Plant in hetzelfde gebied de larven gevonden en uitgekweekt. Als Ruta chalepensis inderdaad de normale waardplant van de soort is, moet worden aangenomen dat de soort inheems is in het Mediterrane gebied.

fenologie

Uit een waarneming van Beavan blijkt dat de soort waarschijnlijk multivoltien is.

larve, pop

Foto’s in het artikel van Plant en van Beavan.

literatuur

Agassiz (2007a), Beavan (2017a), Falck & Karsholt (2019a), Plant (2016a).

mod 25.viii.2019