Eriocraniidae

Een kleine familie van zeer kleine vlindertjes. Systematisch staan ze nabij de basis van de stamboom van de vlinders, onder meer omdat ze nog herkenbare rudimenten hebben van mandibels; in de pop zijn die zelfs nog compleet aanwezig. Heath (1976a) behandelt de Britse soorten.

De meeste soorten leven op berk. De mijnen van de meeste soorten treden op in het vroege voorjaar. De wijfjes hebben een legboor, het ei wordt afgezet in het bladweefsel. De larven maken blaasmijnen, die opvallen doordat de frass bestaat uit zeer lange, bijne continue draden. Volgroeide larven verlaten de mijn en verpoppen in de grond. Als pop blijven ze de zomer en winter in de gond, om het in voorjaar uit te komen. (Daarom is her erg lastig ze te kweken).

De larven zijn kleurloos, en hebben geen buik- of borstpoten. Er is maar één stemma in de oogvlek.

literatuur

Common (1975a), Davis (1987a), Heath (1976a).

23/11/2014

mod 23.xi.2017